VERKLARENDE
WOORDENLIJST
Apostel: Een exclusieve geestelijke
functie die in de geschiedenis door slechts enkelen is vervuld; letterlijk
“de gezondene,” maar voor een specifiek doel: een boodschap
te brengen. In het Nieuwe Testament verwijst dit naar een speciale gezant
of boodschapper van God (Lukas 11:49; Openbaringen 18:20); specifieker
de eerste 12 apostelen (Peter, Johannes, Andreas, enz.) plus Paulus, Barnabas
en enkele anderen. Jezus Christus wordt de Apostel genoemd (Hebreeuw 3:1).
Evangelie: Het goede nieuws van Gods eeuwigdurende koninkrijk
dat op aarde wordt gevestigd na Jezus’ wederkomst en hoe we deel
kunnen uitmaken van dat koninkrijk. Deze boodschap stond centraal in het
onderwijs van Jezus Christus en de apostelen. De term wordt zo’n
100 keer in het Nieuwe Testament gebruikt.
Kennis: De ruime hoeveelheid informatie die iemand bezit;
een kenmerk van God (Rom. 11:33); wat we moeten weten over God (Hosea
4:6).
Latere Profeten: Jesaja, Jeremia en Ezechiël; “latere”
genoemd om deze 3 en hun boeken te onderscheiden van de boeken van de
“eerdere” profeten: Samuël en Koningen.
Voorname Profeten: Jesaja, Jeremia en Ezechiël;
“voornaam” genoemd om deze 3 en hun boeken te onderscheiden
van de 12 “kleinere” profeten. Voornaam wordt gebruikt in
de betekenis van langere boeken en kleiner in de betekenis van korter.
Pentateuch: De Griekse term voor de eerste vijf boeken
van de Bijbel, de vijf boeken van Mozes (penta betekent vijf). Deze term
kwam in gebruik toen de Hebreeuwse Bijbel (of Oude Testament) in zo’n
300 voor Christus vertaald werd in het Grieks.
Verslaggever: Een zegsman, secretaris of archivaris;
de officiële secretaris van de koning (2 Sam. 8:16). In de oudheid
was deze een lid van een professionele klasse van geletterde mannen die
getraind waren voor officiële tewerkstelling in de koninklijke administratie.
Openbaring: De onthulling van Gods Woord en plan met
de mensheid. In de Bijbel refereert dit aan het ophelderen van onbekende
zaken; verborgen kwesties aan het licht brengen; met name geroepen individuen
ertoe brengen te zien, horen, waar te nemen, weten en begrijpen over de
dingen van God; het ontsluieren van bijbelse mysterieën (Rom. 16:25).
Schriftgeleerde: iemand die officiële manuscripten
overschrijft (met name de Hebreeuwse Bijbel); een archivaris; een lid
van een professionele klasse van secretarissen die wetsdocumenten overschreven
en experts waren in de studie van de wet (of Torah). Ezra was een vakbekwame
schriftgeleerde (Ezra 7:6). Jezus prees het beroep (Mattheüs 13:52),
maar nam vaak aanstoot aan de manier waarop de schriftgeleerden hun positie
en invloed gebruikten en de Schriften vaak verkeerd interpreteerden.
Torah: Een Hebreeuwse uitdrukking die specifiek naar
“de wet” verwijst betekenende de vijf boeken van Mozes. In
een bredere zin betekent het: geestelijke instructie of onderwijs.
Begrip: De eigenschap inzicht te hebben of goed beoordelingsvermogen
in algemene zaken; een doortastende kracht van abstracte gedachtenis;
de bekwaamheid om logisch door te denken of een gedachtenlijn te volgen.
Wijsheid: Ervaring, kennis en begrip hebben en de eigenschap
om alledrie toe te passen met voorzichtigheid, discretie en gezond verstand;
de kern van juist moreel en intellectueel oordeel; een kenmerk dat God
aan Zijn mensen toebedeelt (Mattheüs 12:42) als ze Zijn Woord bestuderen;
vertegenwoordigd door het boek Spreuken.
|