DE TIEN GEBODEN

 

Een Koninklijke Wet van Liefde

 

“Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde” (1 Johannes 4:7-8).

 

Jezus Christus bouwde het fundament van het christelijk geloof op het principe van liefde - Christenen die God en elkaar met hun gehele hart liefhebben. Johannes, een van Christus’ discipelen en naaste vrienden, schreef deze woorden op tegen het einde van zijn leven: “En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem” (1 Johannes 4:16, nadruk van ons).

Maar wat is liefde?

Vraag uw vrienden dit uit te leggen. Kijk of ze dit allen op dezelfde wijze zien. Zullen ze dit omschrijven als een gevoel? Of zullen ze dit definiĎren als intens zorgen voor anderen maar laten het aan u om uit te zoeken wat “zorgen voor” betekent? Hoeveel zullen liefde vergelijken met een of andere vorm van seksuele aantrekkingskracht?

Het wordt snel duidelijk dat het woord liefde (houden van) niet altijd hetzelfde betekent. Zou het niet fantastisch zijn als we een vaste omschrijving van liefde konden gebruiken, vooral wanneer we spreken over de liefde die God voor ons heeft en de liefde die we voor elkaar zouden moeten hebben?

Jammer genoeg ontbreekt elke consequentheid van het woord. De meeste mensen zullen toegeven dat liefde, of op zijn minst enige vorm van respect, essentieel is voor persoonlijke relaties. Voorzichtigheid is geboden wanneer we de omschrijvingen van liefde overwegen. Sommige zijn zo vaag dat ze elke gedragsvorm door de vingers zien. Soms is liefde slechts een ander woord om de goedkeuring van onconventionele, vernietigende vormen van gedrag te bemoedigen

Veel religieuze mensen omarmen het idee van anderen liefhebben als henzelf, maar blijven onwetend over hoe de Bijbel liefde definieert.

Het resultaat daarvan is dat ze niet de noodzaak begrijpen om de Bijbelse principes in praktijk te brengen, die het succes of de mislukking van hun relaties bepalen.

 

De Tien Geboden omschrijven liefde

 

Om liefde betekenisvol te doen zijn moet het precies omschreven en begrepen worden. Dat is het doel van Gods wet, vooral de Tien Geboden.

Kent u het ultieme doel van Gods wet? Jezus Christus omschreef het doel van Gods wet als het onderwijzen van het toepassen van de twee grote principes van God en elkaar liefhebben. Hij maakte dit duidelijk toen iemand Hem vroeg, “Meester, wat is het grote gebod in de wet?” Hoe antwoordde Jezus? “Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten” (Mattheüs 22:35-40).

Waarom is het dat, ondanks onze explosieve groei in kennis, zo weinigen deze fundamentele Bijbelse waarheid begrijpen? Waarom kan niet iedereen begrijpen dat “de gehele wet en de profeten”, die geschriften die we als het Oude Testament kennen, ons eerst de juiste wijze leren van liefhebben, en dan levendig de problemen en straffen beschrijven die voortkomen uit gebrek aan liefde? Waarom geloven zoveel mensen dat goddelijke liefde alleen geleerd wordt in het Nieuwe Testament?

 

Liefde in het Oude Testament

 

Liefde is het middelpunt van al de geschriften, van zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Verbazingwekkend als het mag zijn voor de meeste mensen, is het in het Oude Testament dat we voor het eerst instructie vinden om “uw naaste lief te hebben als uzelf” (Leviticus 19:18).

Daar ook heeft Mozes geschreven, “Nu dan, Isräel, wat vraagt de Here uw God, van u dan de Here, uw God, te vrezen, door in al zijn wegen te wandelen; Hem lief te hebben; de Here uw God te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel; de geboden en de inzettingen des Heren, die ik u heden opleg, te onderhouden, opdat het u wŹl ga” (Deuteronomium 10:12-13).

Elk gebod van God is voor uw welzijn. Is het u in de voorgaande passage opgevallen dat het gehoorzamen van Gods geboden en liefde praktiseren onherroepelijk zijn verbonden in Gods ogen? Dit komt omdat de geboden de liefde omschrijven welke het fundament is voor alle goddelijke relaties.

Liefde somt eenvoudigweg het doel op van de Tien Geboden. Paulus schreef: “De geboden,’Gij zult niet echtbreken; gij zult niet doodslaan; gij zult niet stelen; gij zult niet begeren’ en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” (Romeinen 13:9).

 

Gods liefde voor de mensheid

 

Vanaf het begin, was Gods interactie met mensen gemotiveerd door Zijn liefde voor ons. Zoals Jezus zei: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde” (Johannes 3:16-17).

God wil dat wij allen eeuwig leven verkrijgen. Maar eerst moeten we leren met elkaar om te gaan, hoe elkaar lief te hebben. Daarom is liefde zo belangrijk.

Vrede en harmonie zijn onmogelijk zonder respect en liefde. Als God ons eeuwig leven zou schenken zonder ons te leren hoe elkaar lief te hebben, zou Hij ons verplichten om eeuwig in verwarring en chaos te leven.

God zal niet toelaten dat de huidige boosheden, jaloezieĎn, vijandigheden en zelfzuchtige verlangens van de menselijke natuur doorgaan tot in eeuwigheid. We moeten de ware betekenis van liefde leren anders kunnen we geen eeuwig leven ontvangen. “Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood. Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoordenaar en gij weet, dat geen mensenmoordenaar eeuwig leven blijvend in zich heeft” (1 Johannes 3:14-15).

Dus komen we weer bij de vraag: Wat is liefde? Johannes geeft ons het antwoord. “En dit is de liefde, dat wij naar Zijn geboden wandelen…” (2 Johannes 1:6). De apostel Paulus zegt ons “daarom is de liefde de vervulling der wet” (Romeinen 13:10).

Een andere Bijbelse schrijver, Jakobus, laat ons duidelijk zien dat Gods koninklijke wet van liefde specifiek de Tien Geboden inhoudt. “Indien gij echter de koninklijke wet vervult naar het schriftwoord: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’, dan doet gij wŹl. Doch indien gij met aanzien des persoons handelt, doet gij zonde en wordt gij door de wet overtuigd van overtreding. Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden). Want Hij, Die gezegd heeft (in de Tien Geboden) ‘Gij zult niet echtbreken’, heeft ook gezegd: ‘Gij zult niet doodslaan’. Indien gij nu geen echtbreuk pleegt, maar wel doodslag, zijt gij toch een overtreder van de wet geworden” (Jakobus 2:8-11).

 

Wat is zonde?

 

Zie hoe de Bijbel zonde omschrijft: “Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid” (1 Johannes 3:4). Of zoals de Statenvertaling het zegt, “want de zonde is de ongerechtigheid”. Volgens de Bijbel is zonde eenvoudigweg het overtreden van Gods geboden.

Hoe beēnvloedt zonde de relatie met Jezus Christus? “En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend” (1 Johannes 3:5-6).

Dt zijn inderdaad ernstige beweringen.

Johannes gaat verder, “Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar: een ieder, die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft” (vers 10).

Hoe weten we dat we God kennen en een juiste relatie met Hem kunnen hebben? “Wie zegt: ‘Ik ken Hem’, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar wie Zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, Als Hij gewandeld heeft” (1 Johannes 2:4-6).

Hoe wandelde Jezus? Hij zei ons, “Indien gij Mijn geboden bewaart, zult gij in Mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb en blijf in Zijn liefde” (Johannes15:10). “Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden heeft Zelf Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat Zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zó, als de Vader Mij gezegd heeft” (Johannes 12:49-50).

In Jezus Christus eigen woorden, “blijven in”- ofwel de praktijk handhaven van- goddelijke liefde wordt bereikt door het houden van Gods geboden. Zijn voorbeeld leert ons dat gehoorzaamheid en goddelijke liefde onafscheidbaar zijn. Zonde is eenvoudig het schenden van liefde door het overtreden van Gods geboden. Zonde is wetsovertreding-het negeren of het weigeren gebonden te zijn aan Gods regels die ware, goddelijke liefde definiĎren.

 

Wet en vrijheid

 

God geeft ons niet de vrijheid ons te gedragen zoals we willen. Ofschoon de Bijbel Gods wet afbeeldt als een wet van vrijheid, omschrijft het vrijheid eenvoudig als vrij van zonde en zijn vernietigende consequenties, niet de vrijheid om zelfzuchtige verlangens te vervullen.

Onze zonden brengen ons vreselijke straffen toe. Openlijk de verdorvenheid van de mensheid afkeurend, schreef Paulus: “Verwoesting en ellende zijn op hun wegen, en de weg des vredes kennen zij niet” (Romeinen 3:16-17). Hij vergelijkt het effect van zonde met slavernij- het tegenovergestelde van vrijheid. “Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid. Wat voor vrucht had gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt: immers, het einde daarvan is de dood” (Romeinen 6:20-21).

Zonde, de overtreding van Gods wet, brengt ons niet alleen in slavernij maar, bij voortduring, maakt het voor ons onmogelijk eeuwig leven te ontvangen (Mattheüs 19:17). Daarom zegt Jakobus: “Spreekt zó en handelt zó als (mensen past), die door de wet der vrijheid zullen geoordeeld worden” (Jakobus 2:12). Gods geboden zetten de fundamentele norm waarmee Hij ons zal oordelen.

Alleen wanneer we ons bekeren, door te stoppen met het overtreden van Gods wet, kunnen we bevrijd worden van de gevolgen van zonde door het verzoenend offer van Christus, welk ons alleen kan reinigen van onze zonden (Handelingen 2:38; 1 Johannes 1:7). Paulus legt uit dat deze ware vrijheid van de banden van zonde alleen verkrijgbaar is voor degenen die oprecht Gods instructies gehoorzamen. “Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is” (Romeinen 6:17).

Johannes brengt dit alles bijeen, verklarende dat Gods wetten gehoorzamen is de liefde van God in de praktijk brengen. “Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren. En Zijn geboden zijn niet zwaar” (1 Johannes 5:3). In plaats van een last te zijn, verlichten de geboden van God het pad naar goddelijke liefde en vrijheid.

Deze waarheid wordt scherp geēllustreerd in Psalm 119:98-105: “Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden, want het is altoos bij mij. Ik ben verstandiger dan al mijn leermeesters, want Uw getuigenissen zijn mij tot overdenking. Ik heb meer inzicht dan de ouden, want ik bewaar Uw bevelen. Ik weerhoud mijn voeten van alle boze paden, opdat ik Uw woord onderhoude. Ik wijk niet af van Uw verordeningen, want Gij onderwijst mij. Hoe aangenaam zijn Uw redenen voor mijn verhemelte, meer dan honing voor mijn mond. Uit Uw bevelen heb ik inzicht ontvangen; daarom haat ik elk leugenpad. Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.”

Geen wonder dat Jezus ons eraan herinnerde, “Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat” (Mattheüs 4:4, Deuteronomium 8:3 citerend). De Tien Geboden zijn de ruggengraat van al de geēnspireerde woorden van God. Paulus zegt, “Besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wŹl het houden van Gods geboden” (1 KorinthiĎrs 7:19).

 

Een gids voor gedrag

 

Wanneer u de Bijbel ziet als een gids voor menselijk gedrag, dan dienen de Tien Geboden als voornaamste opschrift van de inhoudsopgave. De geboden vertellen niet afzonderlijk het gehele verhaal, maar ze sommen het duidelijk op.

Jezus zei: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen” (Mattheüs 5:17).

Met “vervullen” bedoelde Hij dat Zijn onderwijs het toepassen van de geboden van God zou vergroten. Het Griekse woord pleroo, wat vertaald “vervullen” is, betekent “vol maken, helemaal vullen”. Andere geschikte uitdrukkingen voor pleroo in deze context zijn “tot de rand vullen”, “tot hetzelfde niveau omhoog brengen”, “volproppen”.

Jezus Christus benadrukte Zijn discipelen dat zijn missie en doel het toevoegen of vol maken de bedoelde betekenis van de Tien Geboden was.- niet opzeggen of wegnemen. Om dit aan te geven, bevestigt Hij in dezelfde passage enige specifieke geboden en dan breidt Hij hun toepassing enorm uit.

Hij richt Zijn aandacht eerst op het gebod dat doodslag verbiedt. “Gij hebt gehoord, dat tot de  

ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht. Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur” (verzen 21-22).

Jezus Christus toonde dat het principe belichaamd in dit gebod verder gaat dan het beroven van iemands leven. Het bevat het vernietigende effect van woede en bitterheid. Christus legde uit dat iemand vervloeken en in ons hart haten er ons ervan zou kunnen onthouden eeuwig leven te beĎrven. Met andere woorden, Jezus toonde dat Zijn onderwijs het verlangde gedrag opgesomd in de Tien Geboden versterkt en uitlegt.

 

Relaties en de Tien Geboden

 

Toen Jezus verklaarde dat alles geschreven in “de wet en de profeten”, onder de twee grote geboden van liefde voor God en liefde voor de naaste valt, benadrukte Hij het belang van relaties (Mattheüs 22:35-40). Hij vertelde ons dat elk gebod van God een aspect van de modelmatige relaties omschrijven die we met elkaar of met Hem moeten hebben.

Wanneer we goed naar de Tien Geboden kijken, zien we dat de eerste vier omschrijven hoe naar God te relateren – hoe gepaste liefde en respect voor onze Schepper te tonen. De overige zes omschrijven het essentiĎle voor juiste relaties met elkaar. Dit is fundamenteel voor begrip van Gods wetten en hun belang. Ze zijn niet slechts voorschriften of rituelen. Degenen die ze in dit licht stellen begrijpen Gods intentie en bedoeling voor het geven van Zijn wet niet.

God zegt ons duidelijk dat al Zijn geboden voor ons welzijn zijn. Ze hebben een doel. Ze behoren een zegen en steun te zijn voor de mens. Ze omschrijven de relaties die respect, samenwerking en stabiliteit voortbrengen binnen elke gemeenschap die ze volledig begrijpt en toepast.

De bedoeling van dit boekje is om u beter de Tien Geboden te leren begrijpen en toe te passen. Teveel mensen zien ze slechts als een lijst van verboden en zijn niet in staat hun echte doel te begrijpen. We hopen dat dit boekje uzal inspireren om zo de wijsheid van God te waarderen dat u Zijn geboden zult zien als uw maatstaf voor gedrag. Dit is het voorbeeld voor ons neergezet door Jezus Christus (Johannes 15:10; 1 Petrus 2:21; 1 Johannes 2:6).

 

 

 

Het Eerste Gebod:

 

Wat Is Onze Hoogste Prioriteit?

 

“Ik ben de Here, Uw God, die U uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben” (Exodus 20:2-3).

 

Toen Christus gevraagd werd welk van de wetten van de Schrift de grootste was, antwoordde Hij met het gebod die het grootste belang benadrukte van onze persoonlijke relatie met God:

“Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand” (Mattheüs 22:37; zie ook Deuteronomium 6:5).

Het vaststellen, ontwikkelen en onderhouden van die persoonlijke relatie met de ware en

levende God is de belangrijkste verbintenis die we kunnen maken. Dat is het voornaamste

punt van de Tien Geboden: “Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben” (Exodus 20:3).

De grootste leidende kracht over ons leven, dat wat onze idealen controleert, is ons middelpunt van verering. Vele dingen kunnen de plaats vervangen van de verering van de ware God in ons hart en verstand. De verering van zulke dingen in ons leven zal elke mogelijkheid van het onderhouden van een echte relatie met God elimineren.

 

De basis van onze relatie met God  

 

De Bijbel is duidelijk wat betreft de basis van onze relatie met God – Hij is onze Schepper!

De profeet Jesaja berispte het oude IsraĎl niet in staat te zijn de betekenis van het vertrouwen en eren van hun Schepper in hen te bevatten. “Heft uw ogen naar omhoog en ziet: Wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet een achter” (Jesaja 40:26).

“Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o IsraĎl: Mijn weg is voor de Here verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de Here, Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, Zijn verstand is niet te doorgronden” (verzen 27-28).

Al wat we zijn, en alles wat we hebben, komt uiteindelijk van één bron – God. Paulus waarschuwt ons “niet hooghartig te zijn, en hun hoop gevestigd te houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft” (1 Timotheüs 6:17). De enige betrouwbare garantie dat in onze toekomst zeker is ligt in onze relatie met onze Schepper.

De Bijbel bevestigt dat onze Maker zowel levend als echt is – de enige echte ware God. ”Doch de Here is de waarachtige God, Hij is de levende God en een eeuwig Koning …” (Jeremia 10:10).

Hij creĎerde voor ons een geweldige woonplaats – onze prachtige planeet. Hij vormde het om ons te voorzien van alles wat we nodig hebben voor ons materieel welzijn en overleving. Het is Zijn wens dat we plezier beleven aan Zijn geschenken aan ons en deze waarderen.

Tegelijkertijd wil Hij dat we begrijpen dat we nooit onze aanbidding moeten richten naar iets dat Hij geschapen heeft of het beschouwen als de bron van ons leven en zegeningen. Alleen de Schepper – nooit het geschapene – mag deze eer ontvangen.

 

De aanbidding van de natuur

 

Het aanbidden van de natuur, of sommige aspecten van de natuur, is de basis geweest van de ene afgodenreligie na de andere. “Eerdmans Handbook to the Bible” verklaart beknopt de funderingen van religies die gelijktijdig met en geografisch dicht bij het oude IsraĎl lagen. “De grote afgoden culturen van Egypte en MesopotamiĎ reflecteerden grondig hun fysieke omgeving. Hun religie, zoals dat van hun buren de Hittieten en Kanaänieten, richtten zich op de natuur. Ze hadden geen echte voorstelling van een enkele, almachtige Schepper-God. En dus verklaarden ze de grillen van de natuur, landbouwgebeurtenissen en geografie van de wereld om hen heen door een hele reeks goden” (1973, pag. 10).

De Egyptenaren en MesopotamiĎrs beschouwden de krachten van de natuur als krachtige geesten die over hun omgeving regeerden. Deze bijgelovige aanbidding van de zon, maan en sterren evenals “moeder” aarde en de meeste van zijn natuurlijke krachten, zoals weerlicht, onweer, regen en vuur, bestaat nog steeds in sommige delen van de wereld.

Ironisch genoeg is dit onderliggend idee ook aangenomen door moderne religies die leren dat God min of meer de totale opsomming is van de natuurlijke krachten van het universum. Maar allen hebben één ding gemeen – ze slagen er niet in de Schepper van Zijn schepping te onderscheiden.

Veel mensen stellen hun vertrouwen in astrologie. Of ze het beseffen of niet, zodoende schrijven ze goddelijke krachten toe aan de schepping – de sterren – in plaats van aan hun Schepper.

God waarschuwt ons tegen deze praktijk. “En dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels, aanziet en u laat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen, die de Here, uw God, heeft toebedeeld aan alle volken onder de ganse hemel; en dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels, aanziet en u laat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen, die de Here, uw God, heeft toebedeeld aan alle volken onder de ganse hemel” (Deuteronomium 4:19). Astrologie is een manier om naar de schepping te kijken in plaats van naar de Schepper voor bovennatuurlijke leiding.

Het vereren van de schepping is de hoeksteen geworden van de hedendaagse materialistische, wereldse zienswijze van het universum. De theorie dat leven van inerte massa evolueerde is een poging de schepping – ons verbazingwekkende universum - te verklaren zonder de intelligentie van een Schepper.

Verantwoordelijke wetenschappers ontkennen het geloof in de spontane ontwikkeling van leven. Sommigen hebben de wetenschappelijke onmogelijkheid aangetoond van evoluerend leven uit het nietlevende. Onderzoek toont aan dat cellen, de bouwstenen van leven, van zoveel complexe en interactieve en onveranderbare complexe systemen zijn gemaakt dat de mogelijkheid van spontaan ontstaan leven zelfs de meest extreme zienswijzen van de wetten van waarschijnlijkheid tarten.

Michael Behe, hoogleraar biochemie aan Het Lehigh University, Bethlehem, Pennsylvania, schrijft: “Het resultaat van deze cumulatieve inspanningen om de cel te onderzoeken – leven onderzoeken op moleculair niveau – is een luide, heldere doordringende schreeuw van ‘ontwerp!’. Het resultaat is zo ondubbelzinnig en zo significant dat het gerangschikt moet worden als een van de grootste prestaties in de geschiedenis van de wetenschap” (Darwin’s Black Box, 1966, pag. 232-233). Dr. Behe ontkent zelfs de mogelijkheid dat leven geĎvolueerd zou kunnen zijn. Met andere woorden, solide wetenschappelijk bewijs maakt het nu duidelijk dat het bestaan van de schepping een Schepper nodig heeft. (Voor meer informatie hierover kunt u onze gratis boekjes aanvragen. In het Nederlands: Bestaat God? En in het Engels: Creation or Evolution: Does It Really Matter What You Believe?).

 

Waarom mensen zich wenden tot bijgeloof en afgoderij

 

Ongeveer 2000 jaar geleden verklaarde de apostel Paulus dat de al te menselijke neiging om intelligentie en leven-gevende krachten aan de fysieke schepping toe te kennen een belangrijke bron is geweest van bijgeloof en religieuze blindheid. “Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren. Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid” (Romeinen 1:21-25).

Het Eerste Gebod waarschuwt ons een religie of een filosofie dat leert dat ons leven en welzijn ontstond met of afhangt van iets anders dan de ene ware God niet te accepteren. Er is geen Pantheon van afgoden. Er is geen andere bron van leven of zegeningen dan God. Er is geen andere macht dat heerst over de hemelen en de aarde. “Zie, van de Here, uw God, is de hemel, ja, de hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is” (Deuteronomium 10:14).

Hij alleen schiep en onderhoudt het universum waarin wij bestaan.

Dit is de krachtige boodschap van het Eerste Gebod. We moeten onze Schepper – de God die wonderen uitvoert, en Die het oude IsraĎl uit Egyptische slavernij leidde – aanbidden en dienen en ons bestaan en zegeningen toeschrijven aan geen andere bron. We moeten Hem liefhebben, respecteren en eren – een echte, persoonlijke relatie met Hem hebben.

 

Hoe kan de ware God meer reĎel voor ons zijn?

 

Het is door Gods opmerkelijke werken dat we het beste Gods karakter kunnen bevatten. David omschrijft zijn enthousiaste bewondering voor Gods interesse en zorg voor Zijn schepping. “Ik zal van de heerlijke luister uwer majesteit en van uw wonderdaden gewagen.  Zij zullen spreken van de macht uwer geduchte daden, en uw grootheid wil ik vertellen. Zij zullen de roem uwer grote goedheid verkondigen, en jubelen over uw gerechtigheid. Genadig en barmhartig is de Here, lankmoedig en groot van goedertierenheid De Here is voor allen goed, en Zijn barmhartigheid is over al Zijn werken” (Psalm 145:5-9).

Een ander Psalm roept uit: “Dat zij de Here loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen aan de mensenkinderen, omdat Hij de dorstende ziel heeft gelaafd en de hongerende ziel met het goede vervuld” (Psalm 107:8-9).

Mozes voegt er aan toe dat onze Schepper “wees en weduwe recht doet en de vreemdeling liefde bewijst door hem brood en kleding te geven” (Deuteronomium 10:18). Jezus legt uit dat God liefdevol en genadig is naar alles en iedereen: “Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mattheüs 5:45). God is bezorgd over het welzijn van alle mensen – zelfs degenen die leven in onwetendheid van Zijn bestaan.

Waarom is het zo belangrijk dat we de fundamenten van Gods karakter begrijpen? Het is essentieel dat we God begrijpen omdat Hij in ons datzelfde karakter wil scheppen – Zijn goddelijke natuur. Petrus zegt dat God ons “met kostbare en zeer grote beloften begiftigt, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur…” (2 Petrus 1:4).

Dit begrip brengt een enorme verandering van denken met zich mee. Zoals Paulus zegt: “En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken…” (Romeinen 12:2). Wat voor vernieuwing zou er in ons denken moeten plaatsvinden? Paulus legt uit: “Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was” (Filippenzen 2:5). God wil dat wij worden zoals Hij, door ons denken, onze houding en onze levensopvatting aan die van Hem te imiteren, geēllustreerd door ons perfecte voorbeeld, Jezus Christus.

Hoe kan deze verandering van denken plaatsvinden?

 

Onze Afhankelijkheid van de God Die Ons Schiep

 

Beseffen wij hoe fragiel ons bestaan is, hoe we constant afhankelijk zijn van Gods zorg? Zou God zelfs maar een paar graden van de gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak veranderen, dan zou het perfect balancerende ecologisch systeem dat noodzakelijk is voor ons bestaan vernietigd zijn. Slechts minimale veranderingen in de atmosfeer van de aarde zou vernietigende radioactiviteit toelaten ons onvruchtbaar te maken, met als gevolg dat menselijk leven snel uitgeroeid zou worden.

Tenzij de delicate balans van stikstof, zuurstof, koolzuurgas, ozon en andere essentiĎle gassen en elementen constant wordt gehouden in de atmosfeer, zou leven zoals wij dat kennen op de planeet aarde niet kunnen bestaan.

Dezelfde balans is evident in de hoeveelheid en distributie van water in oceanen, meren, rivieren, gletsjers, waterdoorlatend gesteente en bergsneeuw in verhouding tot de landmassa van de aarde. De efficiĎnte verspreiding van water is essentieel voor juiste irrigatie van het aardoppervlak. Het ongelooflijke weersysteem van de aarde stelt ons in staat voedsel te verbouwen, het land te reinigen van afval en te voorzien in ontelbare behoeften – en laten we de recreatie en schoonheid die het verschaft niet vergeten.

Elke dag zijn we afhankelijk van deze delicate balans. God openbaart dat Hij dit alles actief regelt en controleert. Hij is het Wezen “Die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, Die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij Zelf aan allen leven en adem en alles geeft” (Handelingen 17:24-25).

Ondanks Gods grootheid, macht en majesteit, is Hij niet ver “van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij…” (verzen 27-28).

 

 

 

Kennis maken met de ware God

 

We leren God kennen door Zijn wegen te praktiseren en trachten de liefde voor anderen te imiteren die Zijn denken motiveren. “En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: Indien wij Zijn geboden bewaren” (1 Johannes 2:3). En: “Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde” (1 Johannes 4:8).

De Bijbel is een handleiding die ons vertelt wat we moeten weten over God. Jezus

Christus zegt, “Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat” (Mattheüs 4:4; zie ook Deuteronomium 8:3). Paulus legde uit dat “elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust” (2 Timotheüs 3:16-17).

Om God te kennen, moeten we dat geēnspireerde Schrift bestuderen. “Maak er ernst mede u wel beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid” (2 Timotheüs 2:15).

 

De gezinsrelatie

 

De relatie die God met ons wil is die van kinderen met hun Vader. “En Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige” (2 KorinthiĎrs 6:18).

Hierin ligt het fantastisch doel van ons bestaan – de voortdurende ontwikkeling van rechtvaardig karakter en onze uiteindelijke bestemming als leden van Gods gezin (zelfde vers; Mattheüs 5:48).

De apostel Johannes benadrukt het belang van deze bijzondere relatie: “Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het ook. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is” (1 Johannes 3:1-3).

Het was voor dit doel dat Jezus Christus werd geboren om de Redder van de mensheid te zijn:

“Maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond. Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken. Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen” (HebreeĎn 2:9-11).

Dit is het fantastische doel waartoe u werd geboren – een lid te worden van het gezin van God!

Wat een opmerkelijke liefde heeft God, de Schepper van het universum, voor ons in petto. Hij wil dat wij een deel van Zijn gezin zijn, om eeuwig in Zijn Koninkrijk te leven. Hij zegt ons wat onze grootste prioriteit in dit leven is: “Zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid” (Mattheüs 6:33). Onze hemelse Vader gaf ons dit leven om een permanente relatie met Hem te bewerkstelligen opdat we eeuwig leven kunnen ontvangen als Zijn kinderen.

We behoren Hem zo lief te hebben, te eren en respecteren dat alleen Hij de hoogste autoriteit en voorbeeld in ons leven is. Hij alleen is God. We behoren niets in de weg te laten komen om Hem te dienen en gehoorzamen.

 


Het Tweede Gebod:

 

Hoe is God?

 

“Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, Die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en Die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden” (Exodus 20:4-6).

 

 

Het Tweede Gebod gaat tot de kern van onze relatie met onze Schepper. Het behandelt verscheidene cruciale vragen: Hoe zien wij God? Hoe verklaren wij Hem voor onszelf en anderen? Afgoden zijn representaties van valse, niet bestaande goden, maar mogen we foto’s of andere afbeeldingen gebruiken die de ware God representeren? Bovenal, wat is de juiste wijze om de ene ware God te aanbidden?

In het Eerste Gebod hebben we geleerd dat het verkeerd is om enig geschapen ding, inclusief een menselijk wezen, belangrijker voor ons te laten worden dan onze Schepper. Het Tweede Gebod verschilt van het Eerste in zoverre dat het uitlegt, dat in onze aanbidding, we God niet moeten reduceren tot een gelijkenis van een fysiek object. Dit te doen is zonder meer onaanvaardbaar voor God.

Het Tweede Gebod verbiedt ons uitdrukkelijk het gebruik van enige vorm van levenloze of dode afbeeldingen – “enige gelijkenis van iets dat in de hemelen is, of dat onder de aarde is,” – bij de aanbidding van de levende God.

Toch heeft God op aarde een gelijkenis van Hemzelf gemaakt – in menselijke wezens.

Hij zegt ons duidelijk dat Hij “de mens naar Zijn beeld [schiep]; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen” (Genesis 1:27).

Menselijke wezens – afstammelingen van Adam en Eva – zijn levende afbeeldingen van de levende God. Van al Gods schepselen, zijn wij naar Zijn beeld gecreĎerd. “…Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen ‘mens’ ten dage, dat zij geschapen werden”(Genesis 5:1-2).

Onze Schepper is een levende God, niet een levenloos beeld, figuur of foto. Enige representatie van Hem maken, vervormt en beperkt onze perceptie van wat Hij werkelijk is, en beschadigt zo onze relatie met Hem.

Van alle dingen op aarde of in de hemelen reflecteren alleen levende menselijke wezens realistisch een redelijke gelijkenis van de levende God. Op dezelfde manier was Jezus Christus als een mens in de gelijkenis van Zijn Vader. Niet alleen maakte God mensen naar Zijn beeld, Hij creĎerde ons om nog meer zoals Hem te worden. Zoals God te worden - Zijn eigen karakter in ons ontwikkelen – is waar ons bestaan om draait. Daarom is het zo belangrijk een duidelijk beeld te krijgen van wat God met het Tweede Gebod duidelijk wil maken.

 

Alleen God kan openbaren hoe Hij is

 

In zekere zin vertelt God de mensheid in het Tweede Gebod: “Probeer Mij niet te vertellen hoe Ik ben, IK zal u vertellen hoe Ik ben! Het is belangrijk dat u goed begrijpt dat Ik geen afbeeldingen van Mijzelf zal accepteren.”

Wij hebben een realistisch begrip nodig van hoe wij als God zijn in onze huidige situatie. We moeten ook weten hoe we zijn bestemd om zelfs meer zoals Hem te worden.

God geeft ons creatieve en leiderschapsmogelijkheden die gelijk zijn aan de Zijne, ofschoon op een veel kleinere schaal. Van Zijn stoffelijke schepping hebben alleen wij een echt denkvermogen. Onze geest kan redeneren, analyseren, de toekomst plannen en visualiseren. Wij creĎren literatuur, kunst, muziek en poĎzie. We ontwerpen en bouwen. We kunnen organiseren, beheren en controle voeren over dingen, dieren en mensen. We zijn – op beperkte wijze – in veel dingen zoals God.

Maar op andere gebieden zijn wij, als menselijk wezen, verre van gelijk aan Hem.Ons karakter neigt naar zwakheid. Onze relaties met elkaar laten veel te wensen over. Ons geestelijk begrip is beperkt en vaak gebrekkig en verwrongen. Onze waarnemingen zijn vaak onnauwkeurig. We zijn bevooroordeeld in onze opinies. We zijn vooringenomen en zijn snel geneigd in conflicten te geraken. In al deze geestelijke gebieden schieten we tekort in het zijn zoals God is. Ofschoon God ons beperkte mogelijkheden en karakteristieken vergelijkbaar aan de Zijne heeft gegeven, hebben we veel ontwikkeling en fijne afstelling nodig, voordat we worden zoals Hij in natuur en karakter.

 

Het perfecte voorbeeld

 

We zijn echter niet zonder een perfect patroon van Gods karakter. Jezus Christus, als een menselijk wezen, heeft zo perfect weergegeven hoe God is, dat Hij Zijn discipelen heeft verteld: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien…” (Johannes 14:9).

Paulus omschrijft Jezus Christus als “het beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene der ganse schepping” (Kolossenzen 1:15). Hij omschrijft een christen als iemand die “de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe aangedaan [heeft], die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper” (Kolossenzen 3:9-10).

God wil de geestelijke natuur van de mens veranderen. Net zoals Christus “het beeld van de onzichtbare God” is, zo wil God de Vader ons karakter naar Zijn beeld veranderen. De tijd komt wanneer God diegenen, die in hart en verstand geworden zijn zoals Hij, zal transformeren van een fysiek naar een geestelijk bestaan.

Paulus beschrijft aan de Kerk in Korinthe hoe dit zal gebeuren. “Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beĎrven en het vergankelijke beĎrft de onvergankelijkheid niet. Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen”(1 KorinthiĎrs 15:50-53).

Zo zal God de wonderbaarlijke transformatie van mensen die als Hem worden voltooien. Johannes beschreef dezelfde ultieme transformatie toen hij schreef: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is” (1 Johannes 3:2).

Onze bestemming is om te zijn zoals God is – vooropgesteld dat wij ons leven aan Hem overgeven in gehoorzaamheid aan Zijn geboden. (Voor meer informatie kunt u onze gratis boekjes aanvragen: Wat is uw bestemming en De weg tot het eeuwig leven).

 

God vereist verantwoording

 

Dit brengt ons naar het laatste deel van het Tweede Gebod: “want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, Die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en Die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden” (Exodus 20:5-6).

God houdt ons verantwoordelijk voor onze woorden en daden. Buigen voor een afgod om eer te brengen aan iemand’s eigen afbeelding van God mag zich voordoen als een daad van grote aanbidding als men onwetend is van Gods grote doel voor de mensheid. Maar God verwacht van hen die Hem aanbidden in waarheid en begrip hun liefde voor Hem te demonstreren door Zijn geboden te houden vanuit het hart, niet met het doorlopen van nutteloze rituelen voor enig object.

Jezus maakte dit duidelijk toen Hij zei, “God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid” (Johannes 4:24). We behoren God niet te aanbidden met afbeeldingen en nietszeggende rituelen. Jezus verklaarde dat “de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders” (vers 23).

Kennis en begrip van de waarheid van God zijn essentiĎel voor het ontwikkelen van heilig, rechtvaardig karakter welke Hij in ons verlangt te creĎren. Dat betekent dat we moeten leren en groeien (2 Petrus 3:18).

We lezen, “Mijn zoon, indien gij Mijn woorden aanneemt en Mijn geboden bij u bewaart, zodat uw oor de wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de verstandigheid, ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de verstandigheid uw stem verheft; indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten, dan zult gij de vreze des Heren verstaan en de kennis Gods vinden” (Spreuken 2:1-5).

Wanneer we eenmaal begrip krijgen van Gods openbaring, houdt Hij ons verantwoordelijk voor wat we weten. We moeten deze geopenbaarde kennis toepassen in ons leven. Alleen zij die doen wat ze leren wat ze moeten doen zijn ware aanbidders van God (Romeinen 2:13; Jakobus 1:22-25). De apostel Johannes was duidelijk: “Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet”(1 Johannes 2:4).

God gehoorzamen is Hem aanbidden door Hem trachten te imiteren, door te denken en te leven zoals Hij zou doen. Het houdt in van binnen te worden zoals Hij is. We moeten Hem willen toelaten ons geestelijk te vormen naar Zijn gelijkenis. We eren en prijzen Hem door de manier waarop we leven.

 

Gods Vele Namen Openbaren Veel Over Hem

 

De Bijbel gebruikt een verscheidenheid van namen voor God.Hij noemt de dingen zoals ze zijn, en Hij noemt Zichzelf wat Hij is.

Sommige van Zijn namen omschrijven Zijn attributen en karakteristieken. Andere zijn titels van positie, macht en autoriteit. De Bijbel noemt Hem “de Oude van Dagen”en “de Allerhoogste”. Hij is geopenbaard als onze Schepper, onze Vader, onze Voorziener, onze Heer, onze Koning, onze Genezer, onze Verlosser en onze Heiland.

Om het belang van de betekenis van een goddelijke naam te begrijpen, zullen we de meest belangrijke naam voor God in het Oude Testament bestuderen. In het Hebreeuws is het Jahweh, vaak vertaald als HEER (met hoofdletters). Deze naam onderscheidde Hem van de valse goden van andere naties. Het zette Hem apart als de levende, ware God voor de mensen van IsraĎl.

Jahweh is afgeleid van een Hebreeuws stamwoord wat betekent “zijn”. God gebruikte dit woord in Exodus 3:14 toen Mozes aan God om Zijn naam vroeg. God antwoordde dat Zijn naam is “IK BEN DIE IK BEN” of, misschien zelfs nauwkeuriger, “IK ZAL ZIJN WAT IK ZAL ZIJN”.

God maakte Zijn aanwezigheid bekend aan het oude IsraĎl gedurende de tijd van de uittocht in een vuurkolom in de nacht en een wolkkolom overdag. Hij had Zich al bekend gemaakt aan Mozes door een brandende struik. Deze naam maakt duidelijk dat de levende God, met betrekking tot ons, kan zijn – en kan doen – wat Hij wenst. Hij kan Zijn macht openbaren en Zich aan ons presenteren op elke manier die Hij verkiest.

De Bijbel vertelt ons dat de naam Jahweh “ de eeuwige God”(Genesis 21:33) karakteriseert. In betekenis is het gelijk aan “de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde” in de Griekse taal (Openbaringen 22:13). Het kan in het Nederlands vertaald worden als “de Eeuwige”.

Deze omschrijvingen van God benadrukken duidelijk dat onze Schepper altijd heeft bestaan en altijd zal bestaan. Hij heeft niet alleen eeuwig leven in Zichzelf, Hij heeft ook de macht onsterfelijkheid als een gift te schenken aan degenen die Hem behagen.

Door het vertalen van Gods naam van de ene naar de andere taal, is het behouden van de betekenis van de naam – niet de spraakklank – belangrijk. Het Oude Testament werd hoofdzakelijk geschreven in het Hebreeuws, het Nieuwe Testament in het Grieks. De namen van God zijn vrij vertaald van het Hebreeuws naar het Grieks, waarmee ons een duidelijk voorbeeld is gesteld dat het vertalen van Gods naam van de ene naar de andere taal volledig acceptabel is.

Onthoud slechts dat God wil dat wij Hem herkennen en accepteren zoals Hij is. Daarom is de betekenis, niet de klank of spelling, van Zijn namen van groter belang, daar de Bijbel is vertaald van de ene naar de andere taal.

 

Verraderlijke effecten van afgoderij

 

Een afbeelding, schilderij of foto van een afgod heeft leven noch macht. Zelfs al wisten we precies hoe God eruit ziet – wat we niet weten – zouden we geen iconen ontwerpen die de vele facetten van Zijn karakter beschrijven die ons zijn geopenbaard door Zijn Woord. Soms handelt God met tederheid en genade; dan weer handelt Hij met grote wraak en macht. Hij wil niet dat wij Hem beschouwen als bevroren in één karakteristieke vorm van persoonlijkheid of karakter met uitsluiting van Zijn vele andere eigenschappen. Hij vraagt ons over Hem te lezen, te leren hoe Hij is en Hem imiteren.

Na het schrijven van de Tien Geboden op de stenen tafelen, legde God uit waarom Hij geen gebruik wenste van afbeeldingen om Hem te aanbidden. “Neemt u er dan terdege voor in acht (want gij hebt generlei gedaante gezien op de dag dat de Here op Horeb tot u sprak uit het midden van het vuur) dat gij niet verderfelijk handelt door u een gesneden beeld te maken in de gedaante van enige afgod: een afbeelding van een mannelijk of vrouwelijk wezen; een afbeelding van een of ander dier op de aarde; een afbeelding van een of ander gevleugeld gevogelte, dat langs de hemel vliegt; een afbeelding van een of ander gedierte, dat op de aardbodem kruipt; een afbeelding van een of andere vis, die in het water onder de aarde is; en dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels, aanziet en u laat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen, die de Here, uw God, heeft toebedeeld aan alle volken onder de ganse hemel; terwijl de Here u genomen en uit de ijzeroven, uit Egypte, geleid heeft om voor Hem te zijn tot een eigen volk, zoals dit heden het geval is” (Deuteronomium 4:15-20).

God wilde dat de IsraĎlieten onthielden dat zij de levende God dienden te aanbidden, niet een afgod, en altijd hun aanbidding richtten naar hun Schepper en nooit naar objecten van Zijn schepping. Hij gebood hun: “Neemt u ervoor in acht, dat gij het verbond van de Here, uw God, dat Hij met u gesloten heeft, niet vergeet en u een beeld maakt in de gedaante van iets, dat de Here, uw God, u verboden heeft” (Deuteronomium 4:23). Afbeeldingen van afgoden, gegraveerd en geschilderd op muren, aardewerk en andere artikelen zijn inbegrepen bij de verboden en afgodische voorwerpen (Numeri 33:52).

 

Afgoderij en immoraliteit

 

In de afgodsreligies van de oude wereld, werd geloofd dat verscheidene goden en godinnen invloed of controle hadden op het weer en productiviteit van dieren, aarde en planten. Om grotere vruchtbaarheid te bemoedigen, deden aanbidders mee aan vruchtbaarheid rituelen, waaronder seks met andere aanbidders en priesters en priesteressen van deze valse goden. Immoraliteit werd het middelpunt van hun aanbidding. Jonge vrouwen werden ingewijd in het vrouwzijn door dienst te nemen als tempelprostituees. Van mannen werd verwacht dat zij de tempelbordelen bezochten in aanbidding tot hun plaatselijke afgoden. Immoraliteit en degeneratie werden bekleed in religieuze kledij en fatsoenlijk beschouwd.

Dit is waarom afgoderij en immoraliteit zo vaak in de Bijbel zijn verbonden. Paulus schreef over het probleem: “Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij” (Kolossenzen 3:5).

Petrus verbond gedrag waar je zelf behagen in schept met afgoderij. “Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij.Daarom bevreemdt het hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u” (1 Petrus 4:3-4).

 

De macht achter de schermen

 

Afgoderij in elke vorm wordt zowel in het Nieuwe Testament als in het Oude Testament sterk veroordeeld. Paulus prees christenen die “van de afgoden tot God bekeerd zijn, om de levende en waarachtige God te dienen” (1 Tessalonicenzen 1:9) en waarschuwde anderen: “Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij” (1 KorinthiĎrs 10:14).

Veel belangrijker is dat dezelfde apostel verklaarde waarom het gebruik van afbeeldingen van afgoden als hulpmiddel bij aanbidding zo slecht is. “Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten” (1 KorinthiĎrs 10:19-20).

Diep begraven binnen de iconen en de andere afbeeldingen van afgoderij, is de onzichtbare hand van Satan aan het werk. “Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is” (2 KorinthiĎrs 4:3-4).

Satan traint mensen, in hun gedachten, om zelfs de Zoon van God als een levenloze, dode afbeelding te visualiseren. Satans doel is de aandacht af te leiden van Jezus Christus als de krachtige en perfect levende gelijkenis van de levende God omschreven in de vier EvangeliĎn, door het verblinden van bijna de gehele mensheid (Openbaring 12:9) voor het belang van Gods geboden. Satan heeft succesvol veel van de belijdende adoratie voor Christus van de christelijke wereld doen afbuigen naar iconen en afbeeldingen – in strijd met de duidelijke instructies van het Tweede Gebod.

 

Vergeet niet waarom wij werden geschapen

 

Het Tweede Gebod is een constante herinnering dat, van alle geschapen dingen, alleen wij naar de gelijkenis van God zijn gemaakt. Alleen wij kunnen veranderd worden in de geestelijke gelijkenis van Christus, die in het vlees kwam als de perfecte geestelijke gelijkenis van onze hemelse Vader. Dit gebod beschermt onze bijzondere relatie met onze Schepper, die ons naar Zijn gelijkenis heeft gemaakt en ons nog steeds vormt naar Zijn geestelijke gelijkenis.

Het Tweede Gebod herinnert ons eraan dat God veel groter is dan iets wat we kunnen zien of voorstellen. We moeten die kennis nooit terzijde laten schuiven door het gebruik van enige afbeelding of gelijkenis in onze aanbidding van God.

 

 

 

Het Derde Gebod

 

Van Godslastering naar Lof

 

“Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie Zijn naam ijdel gebruikt” (Exodus 20:7).

 

Het Derde Gebod richt zich op het tonen van respect. Het behandelt de manier waarop we onze gevoelens over God uitdragen naar anderen en naar Hem. Het omvat onze houding, taalgebruik en gedrag.

Respect is de hoeksteen van goede relaties. De kwaliteit van onze relatie met God hangt af van de liefde en achting die we voor Hem hebben. Ook hangt het af van de wijze waarop we Hem respecteren in het bijzijn van anderen. We worden geacht altijd te eren wie en wat Hij is.

Omgekeerd, het gebruik van Gods naam op een spottende, vernederende of oneerbiedige wijze toont een houding van minachting voor de relatie die we met Hem veronderstellen te zouden moeten hebben. Dit kan variĎren van achteloze onvoorzichtigheid tot onvriendelijkheid en vijandschap. Het behandelt het op enige wijze misbruiken van Gods naam.

De Gereviseerde Lutherse vertaling (1994) vertaalt het Derde Gebod als volgt: “Gij zult den naam van den Heer, uwen God, niet misbruiken, want de Heer zal niet ongestraft laten wie zijnen naam misbruikt.” De betekenis van het Hebreeuwse woord saw,vertaald als “verkeerd gebruik”en “misbruik”- “ijdel” in andere vertalingen – is “oneerlijk; misleiding; kwaadaardigheid; valsheid; leegte” (Vine’s Complete Expository Dictionary of Old and New Testament Words, “Deceit”). God eist dat we Hem accuraat, oprecht en respectvol vertegenwoordigen als een voorwaarde om een hechte relatie met Hem te hebben.

 

God en Zijn naam respecteren

 

Laten we eens een paar manieren overwegen hoe we met Gods naam geassocieerd zouden moeten zijn. God schiep ons naar Zijn beeld met een mogelijkheid om Zijn kinderen te worden. Degenen die de Geest van God ontvangen zijn leden van Gods Kerk. De wetten van God definiĎren voor ons juiste normen en waarden en onze hoop ligt in het deelhebben aan Gods Koninkrijk.

Alles wat voor ons belangrijk is een gift van God, “Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij,…” (Handelingen 17:28).

Merk op hoe krachtig het boek Psalmen respect voor God benadrukt. “Loof de Here, mijn ziel. Here, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt U met majesteit en luister bekleed” (Psalm 104:1). “De ganse aarde vreze voor de Here, al de bewoners der wereld moeten voor Hem ontzag hebben” (Psalm 33:8).

Koning David schreef: “Ik zal U verhogen, mijn God, Gij Koning, ik zal uw naam prijzen voor altoos en immer; te allen dage zal ik U prijzen, uw naam loven voor altoos en immer. De Here is groot en zeer te prijzen, Zijn grootheid is ondoorgrondelijk” (Psalm 145:1-3).

 

Godslastering en platte taal

 

Waarschijnlijk is godlastering de meest voor de hand liggende manier om het Derde Gebod te overtreden: Gods naam in een beledigende, vulgaire en oneerbiedige platte taal en jargon gebruiken. Het ontheiligen van de naam van God – of dat van Zijn Zoon, Jezus Christus – is bijna universeel. Sinds het begin der tijden heeft het merendeel van de mensheid God nooit het respect gegeven die Hij verdient.

Godslastering is niet de enige manier waarmee we Gods naam kunnen misbruiken. Een ieder die achteloos de naam van God gebruikt – of Christus – in zijn dagelijks taalgebruik, kent God eenvoudigweg niet zoals men Hem behoort te kennen. Doch, vreemd genoeg, denkt en houdt men vol van wel.

In zekere zin is zo’n persoon te vergelijken met Job, die zijn perspectief van God verklaarde – zowel voordat als nadat God hem erop wees hoe trots veel van zijn denken motiveerde. “Slechts van horen zeggen” bekende Job, “had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” (Job 42:5). Job realiseerde zich uiteindelijk dat hij God niet zo goed kende als hij wel dacht.

Mensen die veel over God hebben gehoord nemen achteloos aan dat zij Hem kennen – dat ze een aanvaardbare relatie met Hem hebben. Toch hebben ze nooit geleerd Hem echt te respecteren.

Ze verlagen en vernederen Hem door Zijn naam spottend te gebruiken in alledaagse conversatie. Ze maken onopzettelijk bekend aan allen die hen horen dat respect voor God eenvoudigweg niet belangrijk is voor hen, zelfs al denken ze dat Hij bestaat.

Het maakt niet uit hoe onverschillig men deze manier van oneerbiedigheid voor God beschouwt, het Derde Gebod maakt duidelijk dat God Zelf dit niet licht opvat – “want de Here zal niet onschuldig houden wie Zijn naam ijdel gebruikt”. Zijn naam op welke wijze dan ook misbruiken, ontheiligt ons in de ogen van God.

De meeste van ons hebben op zijn tijd gebrek aan respect voor God getoond. Zoals Job, moesten we waarschijnlijk – of moeten we nog – onze eigen houding tot onze Schepper her- evalueren. Hij zag zichzelf in een realistisch licht. “Daarom herroep ik en doe boete in stof en as” (Job 42:6). Op dezelfde wijze, moeten we ons bekeren van een houding die zou kunnen leiden tot oneerbiedig gedrag. We moeten op onze woorden letten en Gods naam met respect behandelen.

 

Jezus Christus openbaart ons God volledig

 

God verlangde zo dat wij begrijpen hoe Hij is – vooral Zijn natuur, of karakter – dat Hij Jezus Christus gezonden heeft als perfecte voorbeeld van al wat Hij is.

“Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”, zei Jezus (Johannes 14:9). Hij kwam als “de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen” (HebreeĎn 1:3). Door ons te openbaren – door Zijn eigen voorbeeld – hoe Zijn hemelse Vader is en wat Hij van ons verwacht, heeft Jezus Christus voor ons de weg naar eeuwig leven geopend (Johannes 17:1-3).

“Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken,opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!” (Filippenzen 2:9-11).

Merk op hoe compleet Jezus de glorie van God reflecteerde. “Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is”(Kolossenzen 1:19-20).

 

Het belang van Christus naam

 

Jezus Christus’ naam betekent veelbetekenend “Verlosser.”Christus betekent “(de) gezalfde”- hetzelfde als het hebreeuwse woord vertaald Messias. Als de Zoon van God, is Jezus Christus zowel onze Verlosser als Koning. Alleen door Hem kunnen wij behoud ontvangen. “En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden” (Handelingen 4:12).

De naam van Jezus Christus is cruciaal voor ons behoud, maar het eenvoudig herhalen van Zijn naam zonder het belang hiervan te begrijpen en toelaten het ons leven te beēnvloeden is zinloos. Paulus verklaarde aan Timotheüs, “En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de Zijnen, en: Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid”(2 Timotheüs 2:19).

Zij die zich van hun zonden bekeren en gedoopt worden in de naam van Christus ontvangen de Heilige Geest en worden christenen; ze worden als Christus (Handelingen 2:38). “En,” zegt Paulus hen, “al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem” (Kolossenzen 3:17).

Met andere woorden, wat zij ook doen behoort gedaan te worden in overeenstemming en met de goedkeuring, autoriteit of volmacht van Jezus Christus – in Zijn naam. Zijn naam echter gebruiken op enige wijze die afkeuring, gebrek aan respect of schande brengt aan de naam is een zonde en overtreedt het Derde Gebod.

 

God eren door ons voorbeeld

 

Omdat degenen die Jezus Christus volgen bekend zijn door Zijn naam, en hun dienst tot God uitvoeren in Zijn naam, zal hun gedrag Hem altijd of eren of schaden. Gods Woord portretteert degenen die Zijn geboden gehoorzamen als het “zout der aarde” en het “licht der aarde” (Mattheüs 5:13-14, 18). Zij vertegenwoordigen Hem en waar Hij voor staat voor de gehele mensheid. Zij dragen Zijn naam als “een eigen volk, volijverig in goede werken”(Titus 2:14). Zij moeten door hun voorbeeld Zijn naam eren, daarvoor zijn ze geroepen (Openbaring 17:14).

Mozes legde dit punt uit aan de mensen van het oude IsraĎl: “Zie, ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd, zoals de Here, mijn God mij geboden had, opdat gij aldus zoudt doen in het land, dat gij in bezit gaat nemen. Onderhoudt ze dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie. Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zo nabij zijn als de Here, onze God, telkens als wij tot Hem roepen?” (Deuteronomium 4:5-7). Mozes wilde dat zij door hun gedrag God zo zouden eren, dat alle naties respect voor Hem zouden krijgen.

 

Voorbeelden die schande brengen over God

 

Het oude IsraĎl mislukte echter in het eren van God. De IsraĎlieten brachten uiteindelijk zo veel schande over Gods naam dat Hij toestond dat hun vijanden hen van hun land verdreven als gevangenen.

Maar Hij beloofde om later hun nakomelingen terug te brengen en hen als een natie te herstellen met het doel om de eer van Zijn naam te herwinnen. Hij zegt, “Dit deed Mij leed om Mijn Heilige Naam, die het huis Israels ontheiligd had onder de volken in wier gebied zij gekomen waren. Daarom, zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Here Here: niet om uwentwil doe Ik het, o huis Israels, maar om Mijn Heilige Naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij gekomen zijt. Ik zal Mijn Grote Naam die onder de volken ontheiligd is, Die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de Here ben, luidt het woord van de Here Here, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen” (EzechiĎl 36:21-23).

Hoe zal dit gebeuren? God zal opnieuw de nakomelingen van Jakob de verantwoordelijkheid geven om Zijn naam eer te brengen. “En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiĎn zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiĎn. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren” (Jesaja 2:2-4). Te dien tijde zullen de bewoners van de aarde, de zegeningen van gehoorzaamheid ziende, de realiteit van de ware God begrijpen en Zijn naam eren.

 

God lasteren door ons gedrag

 

De apostel Paulus verklaarde dat de mensen die hypocriet zichzelf naar Gods naam noemen en zich voordoen als Zijn volk – terwijl ze weigeren Hem te gehoorzamen – eigenlijk Zijn naam lasteren. Sprekende tot sommige van zijn landsgenoten, zegt hij “hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij? Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet? Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven staat” (Romeinen 2:21-24).

Paulus verklaart dat zelfs sommigen die zichzelf als christenen beschouwen Gods naam schade kunnen toebrengen door hun gedrag. “Allen, die onder een slavenjuk zijn, moeten hun meesters alle eer waardig achten, opdat de naam Gods en de leer geen smaad lijden”

(1 Timotheüs 6:1).

Ons gedrag moet onberispelijk zijn . Paulus zegt dat christenen “ambassadeurs voor Christus” zijn (2 KorinthiĎrs 5:20), Zijn persoonlijk aangestelde vertegenwoordigers. Onbeleefd en oneerbiedig gedrag door degenen die zichzelf representeren als Gods dienaren ontheiligen Hem in de ogen van anderen. Het schaadt de naam van God, die zij beweren te dragen.

 

Jezus veroordeelt religieuze huichelarij

 

Jezus Christus valt degenen aan die religieus bedrog zouden bedrijven. “Wee u, schriftgeleerden en FarizeeĎn, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid. Zo ook gij, van buiten schijnt gij de mensen wel rechtvaardig, doch van binnen zijt gij vol huichelarij en wetsverachting” (Mattheüs 23:27-28).

Mensen zijn doorgaans nogal gemakkelijk met het geven van eerbetoon aan God – zolang als ze hun eigen standpunt en leefwijze kunnen navolgen. Maar Gods klacht door de hele geschiedenis is geweest dat de meeste mensen hun hart niet hebben in het eren van Hem. Jezus zei, “Huichelaars, terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, zeggende: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn.” (Mattheüs 15:7-9). Hij zei ook, “Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg?” (Lukas 6:46).

 

Hoe we God behoren te eren

 

God verlangt veel meer dan alleen lippendienst. Hij wil een relatie met ons dat vanuit het hart komt. Jezus zegt ons, “Een goed mens brengt uit de goede schat zijns harten het goede voort en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond” (Lukas 6:45). Uiteindelijk is het niet genoeg slechts het misbruiken van Gods naam te vermijden.

God wil dat we Hem liefhebben en respecteren. Hem respecteren begint in onze gedachten. We moeten weten wie en wat Hij is. We moeten weten wat Hij van ons verlangt en waarom. We moeten Zijn wijsheid, liefde, eerlijkheid en gerechtigheid bewonderen. We moeten ontzag hebben voor Zijn macht en erkennen dat ons bestaan afhangt van Zijn goedheid.

Ook moeten wij in gebed met Hem praten – elke dag. We behoren de vermaningen in de Psalmen te volgen en Hem dank en eer geven, onze dankbaarheid openlijk laten zien voor alles wat Hij ons geeft. We moeten Zijn grootheid erkennen. We moeten Hem vragen om in ons Zijn manier van denken en Zijn karakter te scheppen. We moeten de kracht vragen van Zijn Geest om ons in staat te stellen Hem met ons gehele hart te gehoorzamen en te dienen.

We eren God het meest door Hem zo lief te hebben dat we boven alles verlangen om als Hem te zijn en Hem nauwgezet te representeren aan een ieder die ons ziet of kent. Als dit de gedachte in ons is, dan zal zelfs de gedachte Hem ooit verkeerd te representeren of Zijn naam te onteren van ons wijken. Ons sterkste voornemen zal zijn om nooit bewust één van Gods namen ijdel te gebruiken!

 

 

 

Het Vierde Gebod:

 

Sleutel tot een Relatie met onze Schepper

 

“Gedenk de Sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de Sabbatdag en heiligde die” (Exodus 20:8-11).

 

De Sabbat, de zevende dag van de week, was door God apart gezet als een tijd van rust en geestelijke vernieuwing. Waarom is het zo belangrijk één dag apart te zetten, dat God dit zou opnemen in Zijn Tien Geboden? Het Vierde Gebod, de Sabbat te gedenken, sluit het gedeelte van de Tien Geboden af, dat specifiek ertoe dient een goede relatie met God te definiĎren – hoe wij Hem moeten liefhebben, aanbidden en ons aan Hem kunnen relateren. Het legt uit waarom en wanneer we speciale tijd voor Hem moeten uittrekken zodat wij dichter tot Hem kunnen komen.

Op onze kalender begint de Sabbat bij zonsondergang vrijdagavond en eindigt bij zonsondergang zaterdagavond. Natuurlijk zullen de meeste mensen gelijk vragen: Waarom de zevende dag apart zetten? Hoe kan onze relatie met God meer profijt hebben door het in acht nemen van deze bijzondere dag boven elke andere dag die we zouden kiezen? Per slot van rekening bruisen vrijdagavond en zaterdag van alle soorten sport, handel en andere wereldlijke activiteiten. Waarom zouden wij anders zijn? Is dit niet slechts een symbolisch gebod, één die nooit letterlijk bedoeld was? En negeerde Jezus Christus dit gebod niet, ons vrij latend van de last het te houden?

Deze vragen vertegenwoordigen sommige van de meest wijd aangenomen en lang gehouden meningen over het Vierde Gebod. Maar Gods gebod is eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen. Dus waarom wordt het zo vaak genegeerd, aangevallen en als onnodig verklaard door zovelen? Zou het kunnen dat de uitdagingen van het Sabbatsgebod zienswijzen zijn, die voortgebracht zijn door de duivel, de god van deze huidige zondige wereld? Per slot van rekening, wil deze grote verleider ons zijn zienswijze laten aannemen omdat hij Gods wet haat. Hij doet al wat hij kan om ons te beēnvloeden onze weg eromheen te negeren, vermijden of te beredeneren. Weinigen bevatten de omvang van maatschappelijke indoctrinatie van Satan. Als de ware “god van deze eeuw” (2 KorinthiĎrs 4:4), heeft hij het merendeel van de mensheid verleid (Openbaring 12:9). De hele wereld valt ten prooi aan zijn invloed (1 Johannes 5:19).

Zijn doel is altijd geweest de relatie tussen de ware God en de mensheid te vernietigen. Hij wil niets liever dan mensen dwarsbomen in het ontwikkelen van een liefdevolle, persoonlijke relatie met hun Schepper – wat de bedoeling is van het Vierde Gebod. Hij wil voorkomen dat wij onze ongelooflijke bestemming in Gods gezin bereiken!

 

Jezus en Zijn apostelen hielden de Sabbat

 

Wat vertelt Christus persoonlijk voorbeeld ons over de Sabbat? “En Hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens Zijn gewoonte op de Sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen” (Lukas 4:16). Jezus gebruikte de Sabbat voor zijn bestemde doel – mensen helpen een persoonlijke relatie te ontwikkelen met hun Schepper.

Na Zijn dood zien we dat Christus’ apostelen Zijn voorbeeld volgden in het houden van de Sabbat. “En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie Sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften” (Handelingen 17:2). “En hij hield elke Sabbat besprekingen in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen” (Handelingen 18:4).

Vandaag echter, volgen de meeste mensen die zeggen Christus te belijden niet het voorbeeld die Hij en Zijn apostelen stelden. De meesten slagen er niet in te begrijpen dat de algehele afwijzing van de Sabbat als de christelijke dag van aanbidding pas begon bijna 300 jaar na Christus’ prediking op aarde.

De vervanging van zondag voor de Sabbat werd grotendeels teweeggebracht door een politieke beslissing genomen door de Romeinse keizer Constantijn, die christendom legaliseerde om politiek voordeel te verzekeren over een verslagen tegenstander, voor het ambt van keizer. Constantijn greep snel het politiek voordeel met het accepteren en ondersteunen van christenen, maar die aanvaarding kwam tegen een prijs – staatscontrole over alle religieuze zaken.

In 321 na Christus verklaarde Constantijn de zondag, de dag gewijd ter ere van de zonnegod Mithras, tot de officiĎle rustdag in het Romeinse Rijk. Maar nergens in de Bijbel geeft de Vader noch Jezus Christus toestemming om de tijd van de Sabbat te veranderen van de zevende dag naar de zondag, de eerste dag van de week. Geen enkel mens, instituut of staat heeft ooit het recht gehad te knoeien met wat God als heilig apart gezet heeft.

 

De Sabbat en een goddelijke relatie

 

De Sabbat is de dag die apart gezet is om ons er geregeld aan te herinneren, dat onze Schepper de enige ware God is, en deze dag is onmisbaar in onze relatie met Hem. Het geeft vorm aan de wijze waarop we Hem waarnemen en aanbidden. Daarom gebiedt Hij ons de Sabbat te gedenken door Hem officieel op deze dag te aanbidden.

Als we dat niet doen, zullen wij dat bijzondere begrip van Hem als de Schepper van het gehele universum verspelen. Na zes dagen van het vormen van deze prachtige aarde, rustte de Schepper op de zevende dag (Genesis 2:1-3). Door het houden van de Sabbat staken wij ons normale werk en activiteiten om ons op regelmatige wijze aan dit essentiĎle begrip te herinneren.

De Sabbat is ook een bijzondere dag om ons te concentreren op het ontwikkelen van onze geestelijke relatie met God. Ofschoon het een dag van rust van onze normale routines en een tijd voor vernieuwing is, is het geen dag om niets te doen, zoals sommigen veronderstellen. Integendeel, de Sabbat is een speciale dag waarop we de zienswijze van onze activiteiten drastisch veranderen. God wilde dat het een genoeglijke periode zou zijn, gedurende welke wij naarstig naar Hem zouden toe groeien.

God zei via Jesaja: “Indien gij niet over de Sabbat heenloopt door uw zaken te doen op Mijn heilige dag, maar de Sabbat een verlustiging noemt, de heilige dag des Heren van gewicht, en die eert door noch uw gewone bezigheden te doen, noch uw zaken te behartigen, of ijdele taal uit te slaan, dan zult gij u verlustigen in de Here en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob, want de mond des Heren heeft het gesproken” (Jesaja 58:13-14).

Inderdaad, om “u te verlustigen in de Here” is een van de voornaamste redenen waarom we gedurende de 24 uur van de Sabbat het werk en de normale activiteiten, die ons opslokken tijdens de overige zes dagen van de week staken.

Relaties hebben tijd nodig. Elke succesvolle relatie verlangt tijd. Geen enkele hechte relatie kan zonder dit element slagen – geen verkering, geen huwelijk, geen vriendschap. Onze relatie met God is geen uitzondering.

God wil dat we speciaal de tijd nemen om Hem, onze Schepper, te eren. Dat is waar alléén de Sabbat – de zevende dag van de week – in kan voorzien.

Het Hebreeuwse woord voor Sabbat, shabbath, betekent “staken, pauzeren of onderbreken.”Op de Sabbat moeten we vrij nemen van onze gewone activiteiten, en onze tijd en aandacht wijden aan onze Schepper. Waarom? Want “in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de Sabbatdag en heiligde die” (Exodus 20:11). De Sabbat geeft ons het gevoel, op een andere wijze dan de overige geboden, hoe echt God is als onze Schepper.

 

Een wereld zonder kennis van de ware God

 

Kijk naar de wereld om ons heen. De theorie van de evolutie, gebaseerd op het idee dat de wereld en alles daarin uit het niets ontstaan is, domineert het denken van de meeste hoog opgeleiden. De meeste geleerden spotten met het idee dat de schepping een nadenkende, doelbewuste, almachtige Schepper vereist. Zelfs vele belijdende christelijke geleerden accepteren deze zienswijze. Door het onderhouden van de zevendedags Sabbat echter, worden diegenen die trouw de Tien Geboden gehoorzamen in constante herinnering gehouden, dat hun geloof gefundeerd is op het bestaan van een zeer echte Schepper.

We lezen: “Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (HebreeĎn 11:3). Dat geloof is niets minder dan een onwankelbaar vertrouwen dat de Bijbel werd geēnspireerd door de Geest van God en nauwkeurig openbaart hoe de wereld, en de mensheid, tot stand zijn gekomen. (Om hierover meer te weten te komen, vraag dan ons gratis boekje aan of download: Is the Bible True?).

God openbaart weinig details over hoe Hij het universum creĎerde – alleen dát Hij het schiep. Het onderhouden van de Sabbat brengt dat feit in onze gedachten elke week naar voren. God wil niet dat we dit begrip verliezen. Hij weet dat een ieder die deze kennis negeert het zicht verliest op wie en wat Hij is. Dat is hoe cruciaal deze kennis is.

Dat is ook waarom de wekelijkse naleving van de Sabbat zo belangrijk is voor onze relatie met onze Schepper. Het houdt ons in constante herinnering dat we de Schepper van het universum aanbidden.

 

Een voortdurende schepping

 

De Sabbat is niet slechts een herinnering aan een ooit gedane schepping. God beĎindigde het fysieke deel van Zijn schepping in zes dagen. Echter, het geestelijke deel is nog steeds gaande. De Sabbat is de voornaamste dag waarop de geestelijke schepping – de schepping van de nieuwe mens in Christus – plaatsvindt. Zoals de apostel Paulus ons zegt: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 KorinthiĎrs 5:17).

De nieuwe geestelijke schepping is intern – in het hart en karakter van elk mens. Het begint wanneer “gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid” (EfeziĎrs 4:22-24). Deze “nieuwe mens…vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper” (Kolossenzen 3:10).

Geestelijk karakter kan niet alleen door onze eigen wil komen. De “oude mens”zal uiteindelijk toegeven aan de zwakheden en invloeden van de menselijke natuur. Paulus somt deze strijd op: “Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik”(Romeinen 7:18-19).

God Zelf schept heilig en rechtvaardig geestelijk karakter in ons. Hij hervormt ons denken en geeft ons de wil en de kracht onze natuur te weerstaan. Paulus bevestigt dit, zeggende: “want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werk” (Filippenzen 2:13).

 

De dag van vernieuwing

 

Kunt u bevatten hoe belangrijk dit is? Als wij in Christus zijn, schept onze hemelse Vader in ons Zijn eigen karakter, Zijn goddelijke natuur (2 Petrus 1:4). De wekelijkse tijd die Hij permanent apart heeft gezet om ons te herinneren dat Hij de Schepper is, is dezelfde wekelijkse periode gedurende welk Hij ons instrueert terwijl Hij ons in een nieuwe schepping kneedt.

Gods Woord noemt ons “nieuwgeborenen” – en Hij zegt dat wij als pasgeboren kinderen moeten verlangen “naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen” (1 Petrus 2:2). De Sabbat is de tijd die God voor ons apart heeft gezet om dichter naar Hem te groeien door het bestuderen van Zijn Woord, persoonlijk gebed en groepsinstructies. Hij heeft het geheiligd – apart gezet – als heilige tijd (Genesis 2:1-3). Wij moeten het gebruiken om ons in Hem te verheugen door ijverig Zijn deelname te zoeken in onze geestelijke ontwikkeling en groei. (Jesaja 58:14).

De Sabbat is de dag waarop Christus’ discipelen nader tot elkaar zouden moeten groeien. “En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen” (HebreeĎn 10:24-25).

De Sabbat is de enige dag op welke God ooit een wekelijkse samenkomst heeft geboden. “Zes dagen mag arbeid verricht worden, maar op de zevende dag zal er een volkomen Sabbat zijn: een heilige samenkomst; generlei arbeid zult gij verrichten, het is een Sabbat voor de. Here in al uw woonplaatsen” (Leviticus 23:3).

Het bewijs van het Nieuwe Testament laat zien dat Christus’ apostelen en hun bekeerlingen op de zevende dag, de Sabbat, bleven samenkomen. Ze onderhielden de dag, echter, met een vernieuwde nadruk op de “nieuwe” mens die God bezig is te scheppen. De zevende dag werd in hun leven steeds belangrijker. Het boek HebreeĎn bekrachtigt dat de volgelingen van Christus en de apostelen de Sabbat hielden, bevestigend dat “er dus een Sabbatsrust blijft voor het volk van God (HebreeĎn 4:9).

Inderdaad, Jezus en Zijn apostelen gehoorzaamden constant Gods gebod de Sabbat heilig te houden. Ze hielden de zevende dag als de Sabbat, net als hun Joodse medegenoten van die tijd deden. Gods gebod voor ons blijft: “Gedenk de Sabbatdag, dat gij die heiligt” (Exodus 20:8).

We moeten serieus de tijd nemen om dicht tot onze Schepper te groeien. Hij vertelt ons hoeveel speciale tijd we opzij moeten zetten voor onze relatie met Hem en wanneer deze te nemen. We moeten beslissen of we op Zijn inzicht vertrouwen en Zijn Sabbatsgebod willen gehoorzamen. (Voor een volledige uitleg van de Sabbat kunt u ons gratis boekje aanvragen: De Bijbelse Rustdag: Zaterdag of Zondag?).

 

 

Het Vijfde Gebod:

 

Een Fundament voor Succes

 

“Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal” (Exodus 20:13).

 

Het Vijfde Gebod laat ons kennis maken met een serie geboden die de juiste relaties met andere mensen omschrijven. Zes van de geboden – de vijfde tot en met de tiende – dienen als standaard voor omgang op het gebied van menselijk gedrag die de meest verreikende gevolgen voortbrengen op individuen, gezinnen, groepen en maatschappij.

Ons misbruik en uitbuiting van elkaar zijn vreselijk. De intensiteit en omvang van het geweld onder onszelf zijn onvergeeflijk. We moeten nodig de vreselijk resultaten van ons onvermogen met elkaar om te gaan omkeren. We moeten leren harmonieus met elkaar te werken op elk gebied – dit houdt in het opbouwen van stabiele, liefhebbende, blijvende relaties.

Het instellen van elementaire principes door welke werkbare relaties gebouwd kunnen worden, is het doel van de laatste zes geboden. Ze omschrijven, met krachtige helderheid, de gebieden van gedrag waarin de menselijke natuur de grootste versperringen naar vrede en samenwerking creĎert. Ze voorzien ons van de leiding die we nodig hebben om deze versperringen te verwijderen.

Dit Vijfde Gebod zet de toon voor de laatste zes. Het behandelt het belang om te leren elkaar met respect en eerbied te behandelen.

 

Leren respect te hebben voor anderen

 

Leren verantwoordelijkheid te hebben voor ons eigen gedrag en karakter is het begin van goede relaties. Ons karakter, dat ons gedrag stuurt, begint zich te vormen tijdens onze jeugd. Het is gedurende de jaren waarin we gevormd worden, dat onze houding met betrekking tot egoēsme versus altruēsme gevormd wordt. Dat is het voornaamste punt van het Vijfde Gebod – het belang te leren anderen te respecteren terwijl we nog kinderen zijn.

Het Vijfde Gebod toont ons wie ons de fundamenten van respect en eerbied het meest effectief  leert en hoe zij dit kunnen doen. Het leidt ons naar de wetenschap hoe anderen voorrang te geven, hoe op juiste wijze aan autoriteit te onderwerpen en hoe de invloed van mentors te accepteren. Daarom schreef de apostel Paulus: “Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in de Here, want dat is recht. Eer uw vader en uw moeder (dit is immers het eerste gebod, met een belofte) opdat het u welga en gij lang leeft op aarde” (EfeziĎrs 6:1-3).

Dit gebod leren gehoorzamen helpt kinderen een levenslang patroon van juiste regels, tradities, principes en wetten te leren respecteren. Anderen eer bewijzen zou een normale, natuurlijke, tijdens de jeugd geleerde gewoonte moeten zijn.

De universele toepassing van dit belangrijke Bijbelse principe is duidelijk. We lezen: “Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer” (1 Petrus 2:17). Alles begint bij het respect en eerbied die we onze ouders tonen.

 

De rol van een ouder

 

God plaatst de voornaamste verantwoordelijkheid om kinderen de basisprincipes van het leven te leren op de schouders van ouders. Het vermogen van moeders en vaders succesvol te zijn in deze verantwoordelijkheid, hangt in belangrijke mate af van hoeveel zij, op hun beurt, zich onderwerpen aan Gods instructies en leer, en Hem liefde en respect tonen. Vergeet niet dat vier geboden die het belang benadrukken van een persoonlijke relatie met God vooraf gaan aan het gebod onze ouders eer te geven. Tenslotte is God onze ultieme Ouder.

Merk op hoe God de geestelijke leiders van het oude IsraĎl uitdaagde: “Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij? en indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij?…”(Maleachi 1:6). Als onze Schepper, is God de Vader van ons allen.

Wij als ouders moeten eerst onszelf als kinderen zien – kinderen van God. Het is net zo belangrijk voor ons om onze hemelse Vader te respecteren en te gehoorzamen als voor onze kinderen om ons te respecteren en te gehoorzamen. Alleen dan is het voor ons mogelijk om onze rol als de geestelijke leiders van onze kinderen te begrijpen.

Wanneer wij eerst God eren en gehoorzamen, stellen wij het juiste voorbeeld voor onze kinderen. Zij kunnen dan gewoonten van respect en gehoorzaamheid ontwikkelen door ons voorbeeld te observeren en toepassen wat hen geleerd wordt. Kinderen maken zich meningen en gedragingen het best eigen als zij een sterk verband zien tussen het voorbeeld en de instructie van hun ouders en leraren.

 

De ontbrekende schakel in kinder opvoeding

 

Gods instructie aan ouders maakt dit duidelijk: “Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat” (Deuteronomium 6:5-7). De suggestie is duidelijk: Alleen wanneer wij de juiste principes hanteren in ons hart kunnen wij, als ouders, deze met succes onze kinderen bijbrengen.

Door heel de Bijbel, vooral in Spreuken, vinden we veel instructies en principes over hoe we elkaar moeten behandelen en eren. We moeten deze geregeld bespreken in onze gezinnen en ze toepassen op situaties in het echte leven welke onze kinderen dagelijks tegemoet treden. Deze gesprekken moeten interactief zijn – de kinderen toestaan vrijelijk vragen te stellen die wij als ouders hen moeten helpen op te lossen, bijbelse principes zo volledig en zo nauwkeurig mogelijk gebruiken (Deuteronomium 6:20-21).

Kinderen leren hoe ze anderen moeten behandelen en waarom hun houding en gedrag liefde en zorg voor anderen moeten reflecteren, door hen te behandelen met waardigheid en respect in een interactief proces. Ouders die hun kinderen bijstaan Gods Woord te zoeken om het fundament van gezinsnormen te zoeken, leren hen hoe ze op Gods oordeel kunnen steunen in plaats van hun eigen emoties, grillen en verlangens te vertrouwen.

Kinderen, met name tieners, zoeken hun eigen plaats in de maatschappij. Ze hebben leiding, instructie, liefde en verzekering nodig. Ouders moeten hen niet belachelijk maken. Paulus

waarschuwt ouders, vooral vaders, “verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht en in de terechtwijzing des Heren” (EfeziĎrs 6:4). Ouders moeten hun kinderen op een duidelijke, consequente manier leren de regels van hoffelijkheid en respect te gehoorzamen.

Met een overvloed van geduld en zachtheid. Deze liefdevolle combinatie is de ontbrekende schakel in kinderopvoeding.

 

Kinderen helpen hun identiteit vast te stellen

 

Kinderen hebben constante bemoediging nodig en veelvuldige erkenning van hun successen en prestaties. Boven \al hebben ze overvloedig liefde en lof nodig om hen te helpen een sterke persoonlijke identiteit te ontwikkelen dat een positieve en hoopvolle kijk op het leven reflecteert.

Onthoudt dat niet alle kinderen op verschillende typen van lof op dezelfde wijze reageren. Sommigen kunnen beter een positieve kijk ontwikkelen wanneer lof op henzelf gericht wordt – op hun mogelijkheden en gebieden van vaardigheid – meer dan op individuele prestaties. Lof dat erg wordt gericht op alleen bekwaamheid, zoals schoolcijfers, kan een ongezond gevoel van onzekerheid veroorzaken. Sommigen zouden kunnen constateren dat ze alleen acceptabel zijn als ze uitzonderlijk presteren – dat ze alleen geliefd worden wanneer hun pogingen perfect zijn. Dit type van lof kan het tegeneffect hebben van wat bedoeld was.

Als ouders moeten we ons samen met onze kinderen verheugen in hun prestaties. We moeten hun successen delen. Maar we moeten voorzichtig zijn om onze lof specifiek rechtstreeks naar hen als individuen te richten.We moeten hen vertellen wanneer we tevreden met hen zijn. Dit ondersteunt hun vertrouwen dat het voor hen mogelijk is ons en God te behagen. Ze zien zichzelf als acceptabel en gewaardeerd. Het geeft hen hoop in hun toekomst en verzekering van hun eigen identiteit. Ze zijn dan veel beter in staat geloof te hebben in ons als ouders en aan ons de lof en eer terug te geven dat het Vijfde Gebod vervult. Het is voor hen het begin van een juiste en positieve relatie met de rest van de mensheid en uiteindelijk met God.

 

Onze ouders als volwassenen eren

 

Onze ouders eren houdt niet op wanneer we volwassen worden. Het is een levenslange verplichting. Wanneer ze ouder worden kan dit fysieke zorg inhouden en, indien noodzakelijk, hen financieel steunen.

Jezus bekritiseerde degenen in Zijn tijd die verzuimden geschikte voorzieningen te treffen voor de zorg van hun bejaarde ouders: “En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om uw overlevering in stand te houden.Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt….” (Markus 7:9-13).

 

Hoe Moeten We Ouders Behandelen Die Moeilijk Te Eren Zijn?

 

Jammer genoeg zijn niet alle ouders of grootouders eerbare mensen. Het correct respecteren van diegenen wiens gedrag minder dan eerbaar is, is niet gemakkelijk. Bijvoorbeeld, slachtoffers van voortdurend verbaal, fysiek of seksueel misbruik vinden het gewoonlijk moeilijk de schuldige ouder te eren. God eist niet, in het Vijfde Gebod, dat kinderen van zulke ouders zichzelf of hun kinderen zich blijven onderwerpen aan mishandeling.

Niettemin, we moeten onze voorouders eren. Hoe kunnen we ouders of grootouders eren wiens gedrag onwaardig is voor bewondering? Hoe kunnen we dit gebod op hen toepassen?

Eerst moeten we onze eigen houdingen aanpakken. Jezus zegt ons onze vijanden lief te hebben en voor hen te bidden (Mattheüs 5:44-45). Dit is van toepassing op ouders die ons hebben mishandeld of wiens voorbeeld we niet kunnen respecteren. We moeten geen haat of ongeluk naar hen toe koesteren. We kunnen hun levenswijze sterk afkeuren. We kunnen hun zondevol gedrag minachten. Maar we moeten hen als persoon niet verachten. Dit is waar God voor ons de grens stelt, en we worden gezegend wanneer we aan de goede zijde van de grens blijven.

Daarnaast, wanneer we met anderen over onze ouders of grootouders te converseren, moeten we vermijden dat we negatief over ze spreken. Zo onteren we onze ouders niet.

We moeten bidden dat God hen zal helpen de fout van hun manieren te begrijpen zodat ze zich met God kunnen verzoenen en door Hem met ons.

Uiteindelijk moeten we ons leven leiden op een manier dat hen eert door het voorbeeld dat we stellen als hun zoons en dochters. Ons eigen correct gedrag kan hun eer brengen die ze nooit verdiend hebben.

 

Grootouders eren

 

Wij en onze kinderen moeten er zeker van zijn dat wij niet nalaten onze grootouders te eren. Ze hebben betekenisvol bijgedragen aan ons leven en de meeste grootouders koesteren hun kleinkinderen.

We moeten gelegenheid vinden om tijd te besteden door te luisteren en vragen te stellen aan onze grootouders. Gesprekken met hen zijn als kostbare schatten, omdat ze ons helpen onze oorsprong beter te begrijpen en te waarderen. De meeste grootouders houden van hun kleinkinderen en willen dat ze belangstelling voor hen tonen. Kinderen die hun grootouders eren en lief hebben verbreden hun begrip van mensen en het leven.

 

De voordelen oogsten

 

Toen Mozes terugblikte op de Tien Geboden met het volk van IsraĎl, lichtte hij nog een zegening toe, naast een lang leven, voor het houden van het Vijfde Gebod: “Eer uw vader en uw moeder, zoals de Here, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en het u wel ga in het land, dat de Here, uw God, u geeft”(Deuteronomium 5:16).

Wij, de kinderen, zijn de begunstigden wanneer we onze ouders eren. Dit is het gebod met de prachtige belofte dat het leven voor ons beter zal gaan als we het gewoon gehoorzamen.

Gezinnen zijn de bouwstenen van de maatschappij. Sterke gezinnen bouwen sterke maatschappijen en naties. Wanneer gezinnen gebroken en gebarsten zijn, zijn de droevige resultaten tragisch en worden elke dag gereflecteerd in de krantenkoppen. Elk individu of groepering – inclusief hele naties – die het belang van sterke gezinnen begrijpt, oogst de prijs van een verbeterde relatie met en zegeningen van God.

 

 

Het Zesde Gebod:

 

Het Leven is een Kostbaar Geschenk

 

“Gij zult niet doden” (Exodus 20:13).

 

Wat maakt het menselijk leven kostbaar? Bekijk het vanuit Gods oogpunt. Hij maakte ons naar Zijn eigen beeld met het doel in ons Zijn eigen karakter te scheppen. Om die reden “wil Hij niet, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” (2 Petrus 3:9; vergelijk 1 Timotheüs 2:4). Zoals Jezus Christus het uitlegde: “Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde” (Johannes 3:17).

In onze wereld echter, wordt het menselijk leven vaak met onverschilligheid behandeld. Wij rekenen af met onze verschillen door oorlog, waarbij honderd duizenden andere mensen in dit proces gedood worden. Criminelen stelen niet alleen de bezittingen, maar ook het leven van hun slachtoffers. Zoveel mensen zien een ongewenste zwangerschap eenvoudig als een ongemak of een onverwacht gevolg van hun seksuele activiteit dat miljoenen ongeboren baby’s elk jaar worden geaborteerd.

Wat een bedroevend verschil met onze Schepper, Die ons het grootst mogelijke geschenk belooft – de mogelijkheid eeuwig leven met Hem te delen.

De ‘moord van de dag’ is gewoonlijk het eerste item in een nieuwsprogramma op de televisie, vooral in grotere steden. Veel van zulke moorden worden begaan door familieleden of voormalige hechte medewerkers of vrienden.

Willekeurige moorden door bendes en straatgeweld vergroten de mate van angst in veel gemeenschappen. Moorden gerelateerd aan andere misdaden en drugs zijn al te bekend. Duizenden rond de wereld worden slachtoffer van massamoord in de naam van politiek en ideologie. Moord raakt het leven van bijna iedereen op aarde.

In zogenaamd geavanceerde gemeenschappen, bestoken televisie en film burgers met moord en doodslag. Geweld is zo onontkoombaar verweven in het sociaal systeem dat we het in onze literatuur en vermaak verheerlijken.

Het is ironisch dat ondanks onze fascinatie voor moord, we het voorbeeld volgen van de meeste gemeenschappen gedurende de geschiedenis door strikte wetten ertegen door te voeren. Slechts weinig mensen moesten ervan overtuigd worden dat moord binnen hun gemeenschap verkeerd was.

Echter, andere uitdagingen omtrent de waarde en heiligheid van menselijk leven, neigen onenigheid voort te brengen, vooral de executie van criminelen door de staat. Is de doodstraf hetzelfde als moord?

En wat zegt God over oorlog? Waarom stond God toe dat het oude IsraĎl doodde in de strijd tegen andere naties? Was dat een overtreding van het Zesde Gebod?

 

De werkelijke kwestie

 

In de kern van deze vragen ligt deze kwestie: Wie bezit de autoriteit om menselijk leven te nemen? Wie heeft het recht die beslissing te nemen?

De nadruk in het Zesde Gebod ligt op het woord Gij. Gij zult niet doden! Gij zult niet met opzet doden – met voorbedachten rade of in de woede van het moment.

We moeten onze aard onder controle houden. Het nemen van iemands leven is niet ons recht te beslissen. Dat recht is alleen voor God gereserveerd. Dat is de drijfveer van dit gebod. God laat ons niet toe te kiezen om moedwillig of bewust iemands leven te nemen.

Het Zesde Gebod herinnert ons dat God de Gever van leven is, en Hij alleen heeft de autoriteit het te nemen of mensen toestemming te geven het te nemen.

Het Zesde Gebod slaat niet specifiek op doodslag – sterfgevallen die per ongeluk gebeuren door onzorgvuldigheid of andere onbedoelde acties. Zulke sterfgevallen, ofschoon serieuze gebeurtenissen, worden niet – door de wetten van God of de mens – beschouwd in dezelfde categorie te vallen als voorbedachte moord.

 

Gerechtigheid versus genade

 

Gods voorkeur is om ons genadig te laten zijn. Hij is vooral genadig voor een ieder die zich bekeert. “Zeg tot hen: ‘zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft’” (Ezechiel 33:11). Dit is hoe God denkt. Op deze wijze wil Hij dat wij denken.

Toen haar beschuldigers een vrouw betrapten bij overspel en bij Jezus brachten, wat was toen Zijn reactie? Haar beschuldigers zouden haar graag tot de dood toe gestenigd hebben als Jezus met die bestraffing instemde. Dit was de straf toegestaan door de wet voor zulk een vergrijp. Maar, hoewel Hij op geen enkele wijze haar zonde vergaf, veroordeelde Hij haar ook niet ter dood. In plaats daarvan beval Hij haar “te gaan en niet meer te zondigen” (Johannes 8:11). Hij toonde genade en gaf haar zo de gelegenheid om opnieuw te bekijken hoe ze leefde en haar wegen te veranderen om het komend oordeel te vermijden.

Uiteindelijk moeten we ons voor God verantwoorden. Jakobus waarschuwt ons: “Spreekt zo en handelt zo als mensen past, die door de wet der vrijheid zullen geoordeeld worden” (Jakobus 2:12). God zal uiteindelijk rechtspreken aan allen die weigeren zich te bekeren.

Gods genade – Zijn vergiffenis – blijft beschikbaar voor zondaars, inclusief moordenaars. God wil vergiffenis voor ons uitbreiden. Maar Hij wil ook dat we ons bekeren – om met ons gehele hart na te laten Zijn Geboden te overtreden en om naar Hem te wenden in berouw en nederigheid. Wij moeten dan om vergeving vragen en ons onderwerpen aan het ritueel van de doop. De doop dient als een handeling van bevestiging dat we de oude mens als dood beschouwen – begraven in een watergraf met Christus (Handelingen 2:38; Romeinen 6:4).

De roeping en bekering van de apostel Paulus is een prachtige illustratie van Gods genade en vergiffenis. Paulus had persoonlijk ingestemd in de executie van christenen voordat hij bekeerd was (Handelingen 26:10). Toch vergaf God hem, en stelde hem vanaf die tijd tot een voorbeeld van Zijn grote genade.

Paulus vertelt ons over zichzelf: “…hoewel ik vroeger een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar was. Maar mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb, en zeer overvloedig is de genade van onze Here geweest, met het geloof en de liefde in Christus Jezus. Dit is een getrouw woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, onder welke ik een eerste plaats inneem. Maar hiertoe is mij ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven” (1 Timotheüs 1:13-16).

 

Hoe zit het met de doodstraf?

 

Voor sommige overtredingen staat Gods wet  regeringsautoriteiten toe om de doodstraf toe te passen. Wanneer de staat zich houdt aan Gods principes, overtreedt deze actie niet het Zesde Gebod.

Door Zijn wetten te geven, heeft God Zijn recht in deze zaak geopenbaard. Hij heeft van tevoren geopenbaard welke overtredingen de doodstraf verdienen en Hij heeft strikte beperkingen bepaald voor zulke beslissingen. De schuld van een misdadigers moet bijvoorbeeld ontegenzeglijk bewezen zijn door concreet bewijs en/of getuigen, voordat hij veroordeeld wordt.

De apostel Paulus bevestigt opnieuw de autoriteit van de staat om de doodstraf toe te passen. “Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft” (Romeinen 13:3-4).

 

Christelijke verantwoordelijkheid

 

In plaats van de wet te ontbinden toonde Jezus Christus de geestelijke bedoeling en toepassing. Hij breidde de eisen van de wet uit, waarmee Hij veel meer veeleisend maakte.

Het gebod om niet te doden is een voorbeeld. Jezus zei: “Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur” (Mattheüs 5:21-22).

Christus breidde de betekenis van “moord (doden)” uit om bittere vijandigheid, minachting of hatelijke vijandschap tegen anderen te omvatten. Het koesteren van een boosaardige houding jegens anderen overtreedt de bedoeling van het Zesde Gebod. Waarom? Omdat dit mentaal en emotioneel misbruik is naar anderen toe en het verlangen een medemens te zien lijden.

Woorden en taal gebruiken om met opzet de naam van anderen te schaden is net zo verkeerd. Met tong of pen kunnen we hen verbaal aanvallen. We kunnen hun achtenswaardigheid aanvallen door hun reputatie te ondermijnen of vernietigen.

We kunnen opgeslokt worden door vernietigende bedoelingen. Onze motieven kunnen het absolute tegenovergestelde zijn van liefde. De geest van moord kan in ons hart leven. Jezus vertelt ons dat de gevolgen van zulke gedachten en handelingen onze eigen dood in de poel van vuur kunnen zijn.

Er wordt ons ook opgedragen geen wraak te nemen tegen degenen die ons haten of ons verbaal aanvallen. Paulus zegt: “Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here” (Romeinen 12:17-19). Zelfs in tijden van oorlog wordt van een christen verwacht te leven naar een hogere maatstaf dan de wereld om hem heen.

 

Het kwade door het goede overwinnen

 

Paulus instrueert ons in de juiste benadering van wraakgedachten: “Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede” (Romeinen 12:21). Dit moet de benadering zijn van elke gelovige in Jezus Christus. Het is de wijze van liefde dat de bedoeling van de wet van God vervult.

“Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden” (Mattheüs 5:9). Hoe kunnen we dit principe in de praktijk toepassen? “Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen….” (verzen 43-45).

God wil dat wij veel verder gaan dan doodslag te vermijden. Hij vraagt van ons dat wij niet kwaadwillig een ander in woord of daad letsel toe brengen. Hij verlangt dat we zelfs degenen die er voor kiezen ons te haten zo respectvol mogelijk te behandelen en alles doen wat in onze macht ligt om met hen in vrede en harmonie te leven. Hij wil dat wij bouwers zijn van goed relaties, niet vernietigers.

Om dit te volbrengen moeten we dit prachtige geschenk, dit kostbaar bezit – het menselijk leven – respecteren.

 

 

Het Zevende Gebod

 

Bescherm de Huwelijksrelatie

 

“Gij zult niet echtbreken” (Exodus 20:14).

 

Mannen en vrouwen werden ontworpen om samen te zijn, elkaar nodig te hebben. Het huwelijk, een natuurlijke verbintenis van een man en een vrouw, is goddelijk geordineerd, door God bij de schepping vastgesteld. Zijn wetten – in het bijzonder het Zevende Gebod – machtigen de huwelijksrelatie en bevestigen het als de fundering van het gezin, welke op zijn beurt de fundering en meest belangrijke bouwsteen van de maatschappij is.

God vertelde onze eerste ouders: “Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot een vlees zijn” (Genesis 2:24). Gods instructie stelde duidelijk vast wat alle toekomstige generaties geacht werd te leren met betrekking tot huwelijk en seks.

Wanneer kinderen oud genoeg zijn om de verantwoordelijkheden te dragen van een gezin en iemand van het andere geslacht leren liefhebben en eren, is het natuurlijk en juist voor hen te trouwen – verenigd te worden – en hun eigen gezin te stichten. Slechts dan zullen zij “één vlees worden” door fysieke vereniging bij het consumeren van hun huwelijk.

Jezus maakt het duidelijk dat God vanaf het begin wilde dat het huwelijk een monogame en permanente relatie zou zijn (Mattheüs 19:3-6).

 

Zegeningen met risico’s

 

Het was Gods bedoeling dat huwelijk en seks – in die volgorde – zou bestaan als enorme zegeningen voor de mensheid. Maar dezelfde verlangens die een man en een vrouw samen brengen in een liefdevolle, natuurlijke relatie – een goddelijke zegen – kunnen risico’s met zich meenemen.

Tenzij de natuurlijke verlangens die ons aantrekken tot de leden van het andere geslacht uitsluitend leiden tot een liefdevolle huwelijksrelatie, kan de verleiding zich in te laten met immorele seksualiteit gemakkelijk onze zelfcontrole overmeesteren. Deze zwakheid is het kernpunt van het Zevende Gebod: “Gij zult niet echtbreken” (Exodus 20:14).

Overspel is de overtreding van de huwelijksovereenkomst door opzettelijk deelname in een seksuele activiteit met iemand anders dat de echtgeno(o)t(e). Daar Gods wetten alleen seksuele relaties goedkeurt binnen een wettelijk huwelijk, beslaat het gebod geen overspel te plegen (echtbreken), in principe alle variaties van seksuele immoraliteit. Geen enkele vorm van seksuele relatie mag buiten het huwelijk plaatsvinden. Dat is de boodschap van dit gebod.

In vele delen van de wereld wordt seksuele immoraliteit niet langer beschouwd als een belangrijk sociaal kwaad. God echter veroordeelt expliciet alle vormen van seksuele immoraliteit (Openbaring 21:8).

 

Onze behoefte aan seksuele leiding

 

God gaf ons het Zevende Gebod om de seksuele rollen die langdurend geluk en stabiliteit brengen, te leiden en bepalen. Niets is wanhopiger nodig dan dit in dit tijdperk.

God schiep seks. Het was Zijn idee. In tegenstelling tot sommige ouderwetse meningen, wil Hij dat wij genieten van een overvloedig plezierige en stabiele seksuele relatie binnen het huwelijk. In die context schenkt onze seksualiteit ons de capaciteit onze waardering, tederheid, aanbidding en liefde voor onze partner uit te drukken. Het kan onmetelijk veel bijdragen aan ons gevoel van welzijn en tevredenheid.

De vreugde en het zelfvertrouwen die we krijgen door een juiste huwelijksrelatie kan onze wisselwerking met anderen, vooral onze eigen kinderen, positief beēnvloeden. God wil dat de huwelijksrelatie versterkt en beschermd wordt.

Hij vertelt ons in Zijn woord: “Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen des ijdelen levens, die Hij u geeft onder de zon, al uw ijdele dagen, want dat is uw deel onder de levenden en bij het zwoegen, waarmee gij u aftobt onder de zon” (Prediker 9:9).

Maar over overspel waarschuwt God: “Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen naar een vreemde, de boezem van een onbekende omarmen? Want voor de ogen des Heren liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen. Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonde raakt hij vast” (Spreuken 5:20-22).

We worden nog eens gewaarschuwd betreffende overspel: “Zal iemand vuur in zijn boezem halen, zonder dat zijn klederen in brand geraken? Of zal iemand op gloeiende kolen lopen, zonder dat zijn voeten verbranden? Aldus hij, die tot de vrouw van zijn naaste komt; niemand die haar aanraakt, gaat vrijuit” (Spreuken 6:27-29).

“Schade en schande verkrijgt hij, zijn smaad is onuitwisbaar” (vers 33).

Zijn deze waarschuwingen niets anders dan onwetende ouderwetse holle frasen?

Denk maar van niet! In plaats daarvan kunt u de wereldwijde verwarring beschouwen, aangericht door seks buiten het huwelijk.

 

Gevolgen van seksuele zonden

 

De sociale en persoonlijke schade, teweeggebracht door seksuele immoraliteit, is zo diepgaand dat het onmogelijk is voor ons te meten hoeveel menselijk lijden het heeft veroorzaakt. De meeste mensen weigeren eenvoudig de onthutsende gevolgen in te zien.

Twee heersende visies vallen in het oog. Sommige mensen komen op voor hun recht te doen wat ze wensen: “Niemand gaat mij vertellen wat ik doen mag in mijn persoonlijk leven.” Anderen maken praktisch elke vorm van gedrag aannemelijk: “Het maakt niet uit wat ik doe zolang het niemand schaadt.” Deze argumenten worden gebruikt om alle soorten van seksueel gedrag te rechtvaardigen, inclusief vrij seksueel verkeer.

Beide visies negeren een fundamentele realiteit: Mensen ondervinden wel schade – grote schade zelfs. Immoraliteit in welke vorm is uiteindelijk destructief. Zoals de spreuk zegt: “Wie overspel pleegt met een vrouw, is verstandeloos; wie dit doet, richt zichzelf te gronde” (Spreuken 6:32). Het eerste negatieve gevolg van overspel is de schade .

Even schadelijk is de persoonlijke vernedering die voorvloeit uit seksuele immoraliteit. Het kan ontkend worden maar het kan niet vermeden worden. Paulus vertelde christenen in de losbandige eerloze stad van Korinthe: “Vliedt de hoererij. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om. Maar door hoererij bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam” (1 KorinthiĎrs 6:18). Deze waarschuwingen zijn van toepassing op zowel mannen als vrouwen omdat “bij God geen aanneming des persoons is” (Handelingen 10:34).

Denk aan de vernietigende gevolgen van de seksuele revolutie. De explosie van seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) is een internationale schande. SOA’s maken deel uit van de meest besmettelijke ziekten in de wereld. AIDS alleen kost een beangstigend aantal levens en lijden en evenaart de meest dodelijke epidemieĎn in de geschiedenis. Behandeling en medisch onderzoek voor kuren zijn kostbaar. Ironisch genoeg is dit alles vermijdbaar omdat deze ziekten bijna uitsluitend worden verspreid door vrije seks en perverse praktijken.

Het verval van toewijding aan het huwelijk en gezin en de daarop volgende afname van echtelijke trouw en toewijding aan elkaar hebben hevig bijgedragen tot de gestaag toenemende buitenechtelijke verhoudingen. Een groeiend aantal mensen in de maatschappij gaan samenwonen zonder te trouwen. Onze maatschappij is een wegwerpmaatschappij. Intieme persoonlijke relaties worden routinematig weggegooid.

Kinderen zijn de grootste verliezers in onze snelle maatschappij met zijn verlokkende seksuele revolutie. Ze krijgen steeds minder ouderlijke leiding. In de Verenigde Staten besteden vaders slechts een paar minuten per dag aan een één-op-één relatie met elk kind. Is het een wonder dat we een snel uitbreidende subcultuur zien van vervreemde en ontevreden kinderen? De maatschappij verliest inzicht in waar het om gaat in gezinnen.

 

De kosten van gebroken gezinnen

 

Een ander groot negatief gevolg van de seksuele revolutie zijn de gebroken gezinnen die het heeft opgeleverd. Deze gebroken gezinnen brengen op hun beurt andere sociale tragedies voort. Een meerderheid van de economisch benadeelden leven in één-ouder gezinnen. Gezinnen geleid door één ouder zijn een leidende factor in het voorkomen van latere criminele activiteit. Gebroken gezinnen zijn de belangrijkste gevolgen die veroorzaakt zijn door seksuele ontrouw en immoraliteit.

Hieraan moeten we de vernietigende belastingen en verminderde productiviteit en inkomsten toevoegen, en in niet geringe mate het vaak voorkomend verlies van woningen en persoonlijk bezit. Deze factoren brengen veel mensen tot armoede – in het bijzonder alleenstaande moeders met jonge kinderen. Het probleem wordt verergerd wanneer sommige van deze kinderen opgroeien met onvoldoende werk en sociale vaardigheden en net als volwassenen onder de hoede blijven van het verzorgingssysteem.

Echtscheiding zorgt voor nog grotere persoonlijke problemen. Voogdijruzies kunnen jaren duren. Kinderen worden pionnen in een touwtrekkerij tussen ouders voor hun liefde en loyaliteit. De cijfers van kinderen lijden er vaak onder; sommigen verlaten de school. Tieners woren op hun beurt op steeds jongere leeftijd ouders.

 

De psychologische kosten

 

Lang voor een scheiding wordt emotionele en psychologische schade toegebracht aan de partner en kinderen van de persoon die seksueel ontrouw is. Velen zijn voorgoed getekend door ontgoocheling, schande en een verlies van gevoel van eigenwaarde. In deze situaties kan een thuis niet langer voorzien in de warmte, comfort en veiligheid die vertrouwen en hoop bouwen. Gebrek aan hoop draagt bij tot zelfmoorden, wat, na ongelukken, de hoofdoorzaak is van de dood onder tieners en jonge volwassenen. Zulke tragedies kunnen soms pas jaren na het de echtscheiding plaatsvinden.

De psychologische kosten van verraad, afwijzing en verlatenheid zijn enorm. De geest van miljoenen mensen is verzonken in angst, depressie en bitterheid omdat hun vertrouwen in iemand die ze liefhadden – zij het partner of ouder – verraden is. Vele van deze mensen zijn voor het leven emotioneel verwrongen. Sommigen zoeken advies, maar anderen zoeken naar een manier om wraak te nemen.

De problemen gaan maar door. Wie zei dat niemand schade zou ondervinden? Overspel en vrije seks zijn voorbestemd om te resulteren in sociale rampen. De ware kosten van seksuele immoraliteit zijn astronomisch.

 

Overspel begint in de gedachte

 

De Bijbel noemt de menselijke obsessie van zelfverheerlijking voor wat het is – lust. “Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” (1 Johannes 2:16-17).

Lust is het begin van overspel en immoraliteit. “Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: ‘Gij zult niet echtbreken’. Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd” (Mattheüs 5:27-28).

In tegenstelling tot de meningen van de meeste mensen, zijn seksuele fantasieĎn alles behalve onschuldig. Onze acties ontstaan in onze gedachten, in de verlangens die door onze gedachten stromen (Jakobus 1:14-15). Dagdromen van ongeoorloofde seksuele confrontaties maken ons vooral kwetsbaar voor de daadwerkelijke daad. Vergis u niet. Mogelijkheden om te zondigen zullen komen. We moeten Jezus’ waarschuwing dat overspel in het hart begint ter harte nemen.

 

Niet alle aantrekkingskracht is lust

 

Het is ook belangrijk dat we wat Jezus zei over lust niet in een context verplaatsen die Hij nooit bedoelde. Anders kan onze zienswijze van legitieme aantrekkingskracht, dat van nature vooraf gaat aan verkering en huwelijk, uitgesproken verwrongen worden.

In de Bijbel zien we dat God akkoord gaat met de legitieme seksuele aantrekkingskracht dat de juiste verkeringstijd en huwelijk bevordert. Uiteindelijk maken die verlangens deel uit van de mentale en emotionele aard die Hij schiep in mannen en vrouwen. Jezus hekelde slechts zondige gedachten en gedrag, niet het legitieme verlangen te trouwen en een juiste relatie te scheppen met iemand van het andere geslacht. Hij verbied het ons ook niet als wij iemand van het andere geslacht aantrekkelijk vinden. Hij veroordeelt echter wel lust – het mentaal aanvaarden van een immorele relatie.

We kunnen sensuele verlangens onder controle houden door ze te vervangen met een onbaatzuchtig belang voor anderen. Natuurlijk is dit soort liefde een gift van God, mogelijk gemaakt door Gods Geest die in ons werkt (Romeinen 5:5; Galaten 5:22).

 

Omgaan met seksuele zonden

 

Dankzij de wijdversprijde promiscuēteit zijn er weinig mensen die God willen dienen met een schone lei, seksueel gezien. Om een juiste relatie met God te hebben, is het belangrijk voor ons dat we goed begrijpen hoe God tegen ons verleden aankijkt.

We moeten begrijpen dat God genadig is. Het doet Hem geen plezier ons te straffen voor onze zonden. Hij helpt ons liever onze levenswijze te veranderen. Hij verlangt er vurig naar het eeuwige leven met ons te delen in Zijn Koninkrijk (Lukas 12:32). Hij verheugt Zich wanneer wij ons bekeren en Hem gehoorzamen, wanneer we beginnen te leven door Zijn koninklijke wet van liefde (EzechiĎl 33:11; Jakobus 2:8).

Toen de vrouw betrapt werd tijdens overspel en voor Jezus gebracht werd, vergaf Hij haar niet haar zonde. Maar Hij veroordeelde haar ook niet. Hij zei haar eenvoudig, “Ga heen, zondig van nu af niet meer” (Johannes 8:11).

David vertelt ons dat God “barmhartig en genadig is, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid” (Psalm 103:8). De apostel Johannes legde ons uit: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (1 Johannes 1:9).

Moeten wij dan andere maatregelen nemen om de koers van ons gedrag te veranderen? Gods woord biedt dit advies aan: “Waarmede zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar Uw Woord. Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van Uw geboden afdwalen. Ik berg Uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige” (Psalm 119:9-11). Mensen van alle leeftijden zouden deze woorden ter harte moeten nemen.

Simpelweg spijt hebben van wat we hebben gedaan is niet voldoende. God wil dat we ijverig Zijn Woord bestuderen om Zijn levensregels aan te leren. Dan, wanneer we oprecht onze levenswijze willen veranderen, belooft God, dat “al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol”(Jesaja 1:18). Werkelijk berouw, gevolgd door de acceptatie van de vergeving van God, is een wezenlijk deel van onze geestelijke ontwikkeling.

 

Stabiliteit in het huwelijk

 

Kameraadschap is een van de grootste zegeningen die we kunnen krijgen door een stabiel en liefdevol huwelijk. God erkende dit toen Hij ons schiep. “En de Here God zeide: ‘Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past’” (Genesis 2:18).

“Twee zijn beter dan een, omdat zij een goede beloning hebben bij hun zwoegen. Want, indien zij vallen, dan richt de een de ander weer op; maar wee de ene die valt zonder dat een metgezel hem opricht” (Prediker 4:9-10).

De meeste van ons hebben de ondersteuning en kameraadschap nodig van een liefhebbende echtgeno(o)t(e). We hebben iemand speciaal nodig die onze “ups en downs”, en onze triomfen en nederlagen kunnen delen. Niemand kan deze rol vervullen zoals een partner die diepe liefde en toewijding met ons deelt.

De maatschappij lijdt omdat we de visie, die God vanaf het begin voor het huwelijk had, hebben verloren. Het is niet vereist om getrouwd te zijn, willen we succesvol zijn in God te verheugen. Maar het is wel een enorme zegen voor paren die elkaar behandelen zoals God het bedoelde. De meeste mensen verlangen en hebben de voordelen nodig die komen van een stabiel huwelijk.

Om terug te keren op wat God bedoelde, moeten we het huwelijk het respect geven die het verdient. We moeten getrouw het gebod van onze Schepper gehoorzamen: “Gij zult niet echtbreken.”

 

 

Het Achtste Gebod

 

Beoefen Geven Boven Nemen

 

“Gij zult niet stelen”(Exodus 20:15).

 

Het Achtste Gebod, dat stelen verbiedt, vraagt onze aandacht voor twee tegenovergestelde manieren van denken en leven. Een aanpak die meer de kant van het nemen benadrukt, wint alle populariteitswedstrijden. Maar de aanpak van geven belichaamt Gods liefde voor anderen.

Diefstal is de ultieme instandhouding van de hebzuchtige, wellustige manier van leven, één die het verkrijgen benadrukt van materiĎle en ontastbare dingen zonder respect voor de rechten en gevoelens van anderen. Het minacht overeenkomsten en grenzen vastgesteld door de maatschappij en God. Het is de belichaming van egoēsme.

De geestelijke bedoeling van het gebod tegen stelen vertelt ons waar de strijd tegen hebzucht begint. Het vangt aan wanneer we leren de rechten en behoeften van anderen te waarderen.

 

Het recht om eigendom te bezitten

 

Het Achtste Gebod stelt ieders recht veilig legaal eigendommen te verkrijgen en bezitten. God wil dat dit recht gerespecteerd en beschermd wordt.

Zijn benadering tot materiĎle welstand is in evenwicht. Hij wil dat wij slagen en van fysieke zegeningen genieten (3 Johannes 1:2). Hij verwacht ook wijsheid te zien in de manier waarop we datgene gebruiken waarin Hij ons voorziet. Maar Hij wil niet dat het hebben van bezittingen onze voornaamste jacht zijn in dit leven (Mattheüs 6:25-33). Wanneer we materiĎle zegeningen zien als een manier om  belangrijkere dingen te verkrijgen, ziet God ons met vreugde slagen.

Voor Hem is het belangrijk dat vrijgevigheid in plaats van hebzucht de keuzes die we maken motiveert. Omdat geven en dienen kwaliteiten zijn van Zijn eigen karakter, vraagt Hij dat wij dit vanuit ons hart belangrijker achten dan onszelf te overstelpen met bezittingen.

 

God houdt van blijde gevers

 

Jezus behandelde deze aanpak toen Hij sprak over het helpen van de minder fortuinlijken door gewaagde leningen te geven. “Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug. En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo. En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat hebt gij voor? Immers, ook de zondaars hebben lief, die hen liefhebben. Want indien gij goed doet aan wie u goed doen, wat hebt gij voor? Ook de zondaars doen dat. En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij voor? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen. Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen” (Lukas 6:30-35).

Gebaseerd op wat volgt wat Hij reeds vertelde over het hebben van een gul – in tegenstelling tot een egoēstisch – hart, vervolgde Jezus: “Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden” (vers 38).

God is bereid onze partner te zijn in het dienen van anderen als we hebzucht vervangen door een toewijding tot dienen. Hij kijkt naar de mate van intensiteit van onze betrokkenheid in de gevende manier van leven.

Paulus drukt het duidelijk uit. “En ieder doe, naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief. En God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn” (2 KorinthiĎrs 9:7-8).

God verheugt Zich wanneer Hij ziet dat wij, wanneer in onze eigen behoeften is voorzien, elke extra overvloed van zegeningen gebruiken om anderen tot dienst te zijn. Hij kan dan weten dat we Zijn levenswijze beginnen te begrijpen en navolgen.

 

Het veranderen van het hart van een dief

 

Hoe heeft dit alles direct betrekking op het gebod niet te stelen? Paulus geeft ons het verband: “Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige” (EfeziĎrs 4:28).

Een dief moet verder gaan dan eenvoudig te stoppen met diefstal om God te behagen. Iemand heeft ooit wijselijk opgemerkt: “Een dief die gestopt is met stelen kan nog steeds een dief in zijn hart zijn – het is slechts een tijdelijk werkloze dief. Hij stopt pas echt een dief te zijn als en wanneer hij stelen door geven vervangt.”

Een dief moet zijn hart en levensopvatting veranderen.

 

Andere vormen van stelen

 

Het direct nemen van andermans bezittingen is niet de enige manier om te stelen. Bedriegers gebruiken ingewikkelde tactieken om hun slachtoffers op te lichten. Misleidende advertenties doen hetzelfde. Fabrikanten die misleidend hun producten van ondermaatse kwaliteit aanprijzen, bedriegen hun klanten. Werknemers die meer uren rekenen dan dat ze werken of meer rekenen voor hun diensten dan dat ze waard zijn, stelen van diegenen die hen huren.

Dan zijn er diegenen die “lenen”, maar nooit teruggeven. Stelen zij niet? Er zijn zoveel manieren om te nemen wat niet van ons is, dat we altijd waakzaam moeten zijn. We zouden Gods gebod tegen stelen kunnen overtreden zonder te beseffen wat we doen.

Werknemers die niet werken ofschoon ze er voor betaald worden, stelen van hun werkgevers. Mensen die graag consumeren van wat anderen produceren, terwijl ze weigeren hun deel van de arbeid en de verantwoordelijkheid van hun deel in de productie van goederen en diensten te dragen, houden zich bezig met weer een andere vorm van stelen. Ze gebruiken wat anderen bijdragen, maar dragen zelf weinig of niets bij. Ze nemen veel en geven weinig terug.

Let op Jezus Christus’ parabel van de persoon die weigerde eigen verantwoording te nemen: “Nu kwam ook hij, die het ene talent ontvangen had, en zeide: Heer, ik wist van u, dat gij een hard mens zijt, die maait, waar gij niet gezaaid hebt, en die bijeenbrengt van plaatsen, waar gij niet hebt uitgestrooid. En ik was bevreesd en ben heengegaan en heb uw talent in de grond verborgen; hier hebt gij het uwe. En zijn heer antwoordde en zeide tot hem: Gij slechte en luie slaaf, wist gij, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb en bijeenbreng van plaatsen, waar ik niet heb uitgestrooid?” (Mattheüs 25:24-26). De man in deze parabel wist dat zijn werk was om te produceren voor zijn meester. Maar door zijn eigen verwrongen visie koos hij er bewust voor onproductief te zijn. Hij kende de regels en verantwoordelijkheden die hem waren opgedragen. Hij had geen excuus voor zijn slappe gedrag.

Jezus’ parabel gaat verder: “Dan hadt gij mijn geld aan de bankiers moeten geven en ik zou bij mijn komst mijn eigendom met rente opgevraagd hebben. Neemt hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft” (verzen 27-28).

De werkgever van de man noemde hem “slecht en lui.” In zijn hart was hij niet anders dan een dief. Daarom gaf zijn baas zijn beloning aan een ander die hard gewerkt had om iemand anders dan hemzelf te bevoordelen. Jezus gebruikte deze parabel om te illustreren wat God vindt van zelfbeklag en egoēsme.

 

Kunnen we van God stelen?

 

De Bijbel laat ons nog een andere vorm van stelen zien. Vanaf de tijd van Abraham (Genesis 14:20), laat de Bijbel voorbeelden zien hoe Gods trouwe dienaren formeel bevestigden dat alleen God werkelijk alles bezit. Ze gaven Hem trouw een tiende van hun inkomsten. In het verbond dat God maakte met het oude IsraĎl werd een tiende van de inkomsten van de mensen apart gezet voor de priesters, om hun geestelijke diensten aan de natie te financieren. Het is wellicht overbodig te zeggen dat deze praktijk van tienden geven nooit populair is geworden bij de meeste mensen. Het vereiste een vertrouwen in God dat Hij overvloedig in hun noden zou voorzien als zij een gevende natie waren.

In 721 voor Christus was algemene ongehoorzaamheid van Gods wetten in het oude IsraĎl zo’n gewoonte geworden, dat God de tien noordelijke stammen in gevangenschap stuurde door de AssyriĎrs, waarmee Hij slechts de stammen van Juda en Benjamin achterliet, en de Levieten verspreidde in het zuidelijke koninkrijk van Juda. Zij vervolgden echter dit patroon van ongehoorzaamheid en werden als gevangenen naar Babylon gevoerd in 587 voor Christus.

Ongeveer een eeuw later keerden een kleine groep Joden terug naar Jeruzalem en herbouwden de stad en de tempel onder leiding van Ezra en Nehemia. Maar hun loyaliteit aan God begon spoedig af te nemen, net zoals dat gebeurde voor hun gevangenschap. Door de profeet Maleachi berispte God de priesters, omdat zij nalieten om Zijn wetten te onderwijzen (Maleachi 2:7-9).

Ondertussen wees Hij de mensen terecht, omdat zij de tienden die voor God bestemd waren voor henzelf hielden. “Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij. En dan zegt gij: Waarin beroven wij U? In de tienden en de heffing. Met de vloek zijt gij vervloekt, en Mij berooft gij, gij volk in zijn geheel” (Maleachi 3:8-9).

De leiders van de Joden in die tijd veranderden de ongehoorzaamheid van de natie en stelde gedetailleerde regels vast om iedereen te dwingen zich bij de wet neer te leggen. De fysieke aspecten van deze regels waren strikt, maar veel mensen gingen door met hun beklagenswaardige achteloosheid van de geestelijke aspecten van de wet.

Later veroordeelde Jezus hun misleide prioriteiten. Hij ondersteunde de voortdurende naleving van de fysieke aspecten van de wet en hun trouwe tiendenbijdrage. Maar Hij bekritiseerde ook hun falen, door de nadruk te leggen op geestelijke deugden als vertrouwen, genade en rechtvaardigheid.

“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeen, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen en het andere niet nalaten” (Mattheüs 23:23). Jezus zei hen dat ze beide moesten doen – naast het beoefenen van de wet van tienden, ook het uitvoeren van vertrouwen, genade en gerechtigheid. Jezus Christus bevestigde de praktijk van het geven van tienden – een gedeelte van wat God aan ons geeft moeten we teruggeven aan Hem. We mogen niet de tienden voor onszelf houden, terwijl ze van Hem zijn.

 

Voorbij het hier en nu

 

God wil dat wij vertrouwen hebben in de toekomst. Zijn Woord is vol beloften omtrent onze toekomst in Zijn Koninkrijk. Als wij die beloften geloven, zullen we onze tijd en energie investeren in het verkrijgen van een vermogen van geestelijke schatten die eeuwig zullen duren – schatten die geen dief van ons kan wegnemen.

Dat is het advies van Jezus Christus. “Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen” (Mattheüs 6:19-20)

We moeten de echte waarden begrijpen en toepassen in het leven. We moeten ons concentreren op het bouwen van karaktereigenschappen die langer zullen duren dan alleen fysiek leven. De kern van dit alles is liefde. Goddelijke liefde overwint het verlangen om te stelen.

 

 

Het Negende Gebod:

 

Waarheid als een Levenswijze

 

“Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste” (Exodus 20:16).

 

Hoe belangrijk is waarheid? Om volledig het Negende Gebod te begrijpen om niet te liegen, moeten we inzien hoe belangrijk waarheid is voor God.

Wat vertelt de Schrift ons over God, Zijn Woord en waarheid? Zie wat verscheidene verzen ons vertellen: “Alle woord Gods is gelouterd…” (Spreuken 30:5). DaniĎl verwijst naar Gods Woord als “het boek der waarheid” (DaniĎl 10:21). Jezus Christus zei van God de Vader, uw woord is de waarheid” (Johannes 17:17).

Door de hele Bijbel heen wordt ons geleerd: “God is geen man, dat Hij liegen zou” (Numeri 23:19); “des Heren woord is waarachtig, al zijn werk geschiedt in trouw” (Psalm 33:4) omdat Hij “een God van trouw” is (Deuteronomium 32:4). En “zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid” (Psalm 100:5).

Als de enige bron van waarheid, eist God dat Zijn dienaren altijd waarheidsgetrouw spreken. Door Gods inspiratie schrijft Koning David: “Here, wie mag verkeren in uw tent? Wie mag wonen op uw heilige berg? Hij, die onberispelijk wandelt en doet wat recht is en waarheid spreekt in zijn hart, die met zijn tong niet lastert, die zijn metgezel geen kwaad doet en geen smaad op zijn naaste laadt” (Psalm 15:1-3).

God verwacht dat waarheid in elk facet van ons leven doordringt.

 

Christus en de waarheid

 

Het herstellen van het ontzag voor de waarheid als een universele manier van leven, zal een prioriteit zijn wanneer Jezus Christus terugkeert om Zijn regels in te stellen. “Zo zegt de Here: ‘Ik keer weder tot Sion en Ik woon binnen Jeruzalem; Jeruzalem zal de stad der trouw, en de berg van de Here der heerscharen zal de berg der heiligheid genoemd worden’” (Zacharia 8:3).

Uitziend naar de regering van Christus in het Koninkrijk van God, onthult Psalm 85 de nadruk die God zal leggen op rechtvaardigheid en waarheid. “Waarlijk, zijn heil is nabij hen die Hem vrezen, zodat heerlijkheid in ons land woont. Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander, gerechtigheid en vrede kussen elkaar, trouw spruit voort uit de aarde, en gerechtigheid ziet neder van de hemel. Ook zal de Here het goede geven, en ons land zal zijn gewas voortbrengen; gerechtigheid zal voor Hem uitgaan en zijn schreden richten op de weg” (verzen 9-13).

Dan zal Jezus Christus erop staan dat de gehele mensheid in Zijn voetsporen zal volgen en zo de waarheid te accepteren, te geloven en te spreken.

 

Waarheid in onze relatie met Christus

 

Onze persoonlijke relatie met God door Zijn Zoon, Jezus Christus, begint met onze acceptatie van en overgave aan Gods Woord als waarheid. “In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte” (EfeziĎrs 1:13).

Toen Jezus terechtstond, vlak voor Zijn kruisiging, vroeg de Romeinse gouverneur Pilatus aan Christus of Hij werkelijk een koning was. Jezus reageerde door Zijn missie samen te vatten en erop te wijzen wie op Zijn boodschap zou reageren: “Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem” (Johannes 18:37).

Jezus Christus’ karakter was (en is) een perfecte afbeelding van het karakter van onze hemelse Vader, de God van waarheid. In het antwoord op een vraag die een van Zijn discipelen stelde, zei Jezus: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Johannes 14:6). Zijn discipelen groeien, door in liefde de waarheid te spreken, “ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus” (EfeziĎrs 4:15).

Om discipelen van Jezus Christus te zijn moeten we besluiten voortdurend de waarheid te spreken en de oprechtheid te demonstreren van onze liefde voor anderen. We moeten ook accepteren en gehoorzamen, dat de geboden en leringen van God, “de weg van waarheid” is (Psalm 119:30, 151, 160). Samuel zegt ons: “Vreest slechts de Here en dient Hem trouw met uw ganse hart, want ziet, welke grote dingen Hij onder u gedaan heeft” (1 Samuel 12:24).

 

Liegen komt in overvloed voor

 

Het is tegenwoordig bijna onmogelijk er zeker van te zijn wie de waarheid vertelt. Bijna iedereen probeert het risico om gepakt te worden of te zetten tegen de waarneembare voordelen van liegen.

Sommige bedrijven vertonen verbazingwekkende creativiteit in het camoufleren van bedrog  wanneer ze met hun producten adverteren. Bijna overal ontdekken we individuen, bedrijven en andere organisaties die betrokken zijn in een verfijnd spel van het zien hoe bedrieglijk ze kunnen zijn zonder rechtszaken te veroorzaken of potentiĎle klanten te doen vervreemden.

Liegen is een geaccepteerde manier om te leven. Onze wereld is nauwkeurig beschreven door Jesaja’s beschrijving van het oude IsraĎl: “Er is niemand die een gegronde aanklacht indient, en niemand die naar waarheid richt; zij vertrouwen op ijdelheid, spreken valsheid, gaan zwanger van moeite en baren onheil” (Jesaja 59:4).

Hoe keek God aan tegen de epidemie van leugens van de IsraĎlieten? “Zeg dus van hen: ‘Dit is het volk dat niet hoort naar de stem van de Here, zijn God, en dat geen tuchtiging aanneemt; de oprechtheid is verdwenen en teloorgegaan uit hun mond’” (Jeremia 7:28).

Net zoals toen injecteren mensen nog steeds routinematig bedrog in hun relaties – relaties van persoonlijke, sociale, politieke, religieuze en economische aard. Het tekort aan eerlijkheid is zo breed geaccepteerd dat publieke censuur zelfs niet langer liegen ontmoedigt. Die eis moet van binnenuit komen.

 

Bent u waarheidsgetrouw?

 

Nu wordt de belangrijke vraag aan u persoonlijk gesteld. Liegt u?

Misschien klinkt het vriendelijker wanneer de vraag een beetje anders verwoord wordt: Hoe veel belang hecht u eraan om waarheidsgetrouw te zijn? Of, als we de zaak omdraaien: is wekt liegen weerzin bij u op? Dit soort vragen zijn cruciaal. U moet deze vragen zelf naar waarheid vragen en beantwoorden.

De verleiding om te liegen zal nooit stoppen. Ze zijn altijd aanwezig. Liegen lijkt een veel snellere en makkelijkere manier om voordeel te krijgen boven anderen. Het lijkt een manier om gemakkelijke en vlug te ontsnappen aan een gevoel van beschaamdheid, angst en schuld. Maar de Bijbel zegt, “Leugenlippen zijn de Here een gruwel, maar wie trouw handelen, zijn Hem welgevallig” (Spreuken 12:22).

We worden geconfronteerd met een fundamentele keuze. We volgen Gods voorbeeld van waarheid en eerlijkheid in onze acties en communicaties, of we volgen het voorbeeld van de grondlegger van de leugen, Satan. Jezus vertelt ons dat de duivel “een leugenaar en de vader der leugen is” (Johannes 8:44). Hij verleidde Eva toen zij Adam overhaalde om van de verboden vrucht te eten (Genesis 3:1-6, 17). Deze daad van ongehoorzaamheid had lijden en de dood van onze eerste ouders tot gevolg. De duivel heeft sindsdien mensen meedogenloos verkeerd ingelicht en misleid. Satans boosaardige invloed is zo groot dat hij “de hele wereld misleidt” (Openbaring 12:9). Het is zo gemakkelijk voor ons om zijn voorbeeld te volgen in hoe wij met anderen omgaan, vooral wanneer liegen om ons heen zo algemeen gepraktiseerd wordt.

 

De menselijke natuur is bedrieglijk

 

Leren standvastig en consequent waarheidsgetrouw te zijn vereist zelfdiscipline en moed, en in onze standvastigheid en consequentheid moeten we vertrouwen op hulp van God.

We zien onszelf vaak dingen doen waarvan we weten dat ze verkeerd zijn. Dus waarom doen we ze dan? De profeet Jeremia geeft ons het antwoord: “Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen? Ik, de Here, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden” (Jeremia 17:9-10).

God begrijpt onze natuur en openbaart aan ons hoe we het kunnen bestrijden. Jezus verklaarde dat, ofschoon we de wil kunnen hebben om te gehoorzamen, ons vlees zwak is (Markus 14:38). Het ontbreekt ons aan het voornemen en de kracht om verleiding te weerstaan. Hoe kunnen we deze zwakte dan neutraliseren?

Via de pen van de apostel Paulus, verklaart God de oorzaak van en de oplossing voor dit universeel menselijk probleem. Terwijl hij zichzelf als voorbeeld gebruikt, omschrijft Paulus de tijdloze menselijke strijd: “Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik” (Romeinen 7:14-15).

We kunnen ons met Paulus identificeren. We hebben dezelfde frustratie en wroeging ervaren. Paulus gaat verder: “Want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (verzen 22-24). Paulus had geleerd dat mensen hulp behoeven om de zwakheden van de menselijke natuur te overwinnen.

 

Bedrog overwinnen

 

Een andere apostel, Petrus, verloochende Jezus Christus en loog zelfs, in de nacht van Zijn verraad, over het feit dat hij Hem kende (Mattheüs 26:69-74). Net als Petrus vinden de meeste mensen het bijna onmogelijk alle vormen van bedrog achter zich te laten totdat ze hun leven overgeven aan God en oprecht Zijn hulp beginnen te zoeken. Die hulp is bereidwillig voorhanden, “want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt” (Filippenzen 2:13).

We moeten om die hulp vragen. En hoe kunnen we het krijgen? Het staat in Gods Woord: “Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd” (HebreeĎn 4:14-16).

We hebben de oplossing voorhanden om ons te verlossen van deze diepgaande en verraderlijke menselijke zwakheid. Paulus spoorde de kerkleden in Efeze aan “de nieuwe mens aan te doen, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander” (EfeziĎrs 4:24-25).

 

De weg van waarheid

 

Diegenen die bereidwillig de wet van God geloven en gehoorzamen, kunnen door gedoopt te worden en de Heilige Geest te ontvangen, leden worden van de Kerk die Jezus Christus stichtte. Hij refereert naar hen als “het licht der wereld” (Mattheüs 5:14). Zij vertegenwoordigen “de weg der waarheid” (2 Petrus 2:2).

Paulus noemt Gods Kerk “een pijler en fundament der waarheid” (1 Timotheüs 3:15). De leden ervan zijn de dienaren van “de levende en waarachtige God” (1 Tessalonicenzen 1:9). Door “rechte voren te trekken bij het brengen van het woord der waarheid” (2 Timotheüs 2:15), is de Kerk door Christus opgedragen om “de waarheid van het evangelie” in de gehele wereld te prediken (Galaten 2:5; Mattheüs 24:14; 28:19).

Alles in het leven van een christen is in waarheid verankerd. God wil dat wij, als Zijn kinderen, onszelf verbinden aan waarheid en die waarheid in alles wat we doen reflecteren. Daarom gebiedt God ons: “Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste” (Exodus 20:16).

 

 

Het Tiende Gebod

 

Ware Rechtvaardigheid komt uit het Hart

 

“Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is” (Exodus 20:17).

 

De laatste van de Tien Geboden – het gebod tegen begeren – is direct op het hart en verstand van elk menselijk wezen gericht. Bij het verbieden van begeerte, gaat het niet zo zeer om wat we moeten doen, maar hoe we moeten denken. Het vraagt ons om diep in ons innerlijk te kijken om te zien wat we van binnen zijn.

Net als met de voorgaande negen geboden, is dit gebod gericht op onze relaties. Het draait specifiek om de gedachten die deze relaties bedreigen en die ons en onze naasten potentieel kunnen schaden.

De wijze waarop we reageren op iedereen met wie we in contact komen wordt bepaald door onze motieven. Het overtreden van Gods wet van liefde begint in het hart, zoals Jezus Christus bevestigde. “Want van binnenuit, uit het hart der mensen, komen de kwade overleggingen, hoererij, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, boosheid, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering, overmoed, onverstand. Al die slechte dingen komen van binnen uit naar buiten en maken de mens onrein” (Markus 7:21-23).

Daarom is het een passende einde van de formele rangschikking van deze tien basisgeboden, die de liefde van God definiĎren, om te eindigen met een gebod dat zich op op onze harten concentreert als de bron van onze relatieproblemen. Want van binnenuit komt het verlangen dat ons verleidt en ons op het slechte pad brengt.

 

Wat is begeerte?

 

Begeren betekent smachten (hunkeren) of verlangen, vooral op buitensporige en onfatsoenlijke wijze. Het Tiende Gebod zegt ons niet dat al onze verlangens immoreel zijn. Het zegt ons dat sommige verlangens verkeerd zijn.

Begeren is een immoreel verlangen naar iets dat niet rechtmatig van ons is. Maar begeren kan ook het verlangen inhouden naar meer dan we eigenlijk verdienen of dat ons rechtmatig deel zou zijn. Het kernpunt van het Tiende Gebod is dat we niet ongeoorloofd iets verlangen dat reeds van anderen is.

Het tegenovergestelde van begeren is een positief verlangen anderen te helpen. We moeten ons verheugen wanneer andere mensen gezegend worden. Ons verlangen moet zijn bij te dragen aan het welzijn van anderen, en dat onze aanwezigheid in hun leven een zegen voor hen is.

 

De menselijke natuur is egoēstisch

 

Onze natuurlijke neiging is om altijd eerst aan onszelf te denken. We zijn veel meer geēnteresseerd in wat we kunnen krijgen dan in wat we kunnen geven. Dat is de kern van wat God afkeurt in het Tiende Gebod. Hij zegt ons te stoppen met alleen aan onszelf te denken, te stoppen met alleen onze eigen belangen na te jagen. Begeren is de egoēstische benadering van het leven en egoēsme is de oorsprong van onze overtredingen van Gods wetten.

“Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte,”zoals Jakobus verklaart. “Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort” (Jakobus 1:14-15). Jakobus schrijft hoe gevaarlijk onbeheerste verlangens kunnen zijn. “Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten? Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en naijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt” (Jakobus 4:1-2).

Zoals Jakobus benadrukt, kan begeren een kernoorzaak zijn van vele zonden, inclusief moord en oorlogvoering. Als wij het niet in bedwang kunnen houden, kan een gedachte een obsessie worden, en leiden tot een daad. Wij allen hebben “verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten” (EfeziĎrs 2:3). Wij allen hebben ons gedrag door onze verlangens laten leiden. Dienovereenkomstig hebben we allen gezondigd (Romeinen 3:10, 23).

 

Een universele plaag

 

De apostel Paulus’ omschrijving van hebzuchtige mensen in de laatste dagen is leerzaam. “Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand” (2 Timotheüs 3:1-5). Dit is een zeer accurate beschrijving van onze wereld.

Onze maatschappij is niet uniek in de geschiedenis. Hebzucht is altijd een wezenlijk onderdeel van de mensheid geweest. Sprekend over een van de laatste koningen van het oude Judea, zei God: “Maar gij hebt enkel oog en hart voor uw onrechtmatig gewin en voor het vergieten van onschuldig bloed, voor het begaan van onderdrukking en geweld” (Jeremia 22:17). Het probleem was niet gekoppeld aan de koningen, “want van klein tot groot zijn zij er allen op uit zich te bevoordelen; allen, van profeet tot priester, plegen zij bedrog” (Jeremia 6:13).

God toonde Zijn afschuw over IsraĎl’s hebzucht en waarschuwde IsraĎl over het uiteindelijke gevolg: “Begeren zij akkers, zij roven die, en huizen, zij nemen die. Zo verdrukken zij de man en zijn huis, de mens en zijn erfdeel. Daarom, zo zegt de Here, zie Ik ga tegen dit geslacht een kwaad bedenken, waaruit gij uw halzen niet zult trekken...” (Micha 2:2-3).

Eén opvallend voorbeeld van de wereldwijde acceptatie van hebzucht is de groeiende populariteit van loterijen die door de staat beheerd worden. Miljoenen mensen geven elke week een deel van hun salaris uit in de hoop een fantastisch leven van gemak en luxe te winnen. Evenzo zijn de gokcentra van de wereld erg populaire vakantieverblijven, gespecialiseerd in vermaak gericht op onze basis instincten.

Het bevorderen van hebzucht is “big business”. Reclamebureaus en onderzoeksbedrijven maken er een wetenschap van de hebzuchtige honger van klanten te manipuleren. Zoals het oude IsraĎl zijn ook wij een hebzuchtige maatschappij.

 

Een vorm van afgoderij

 

Hebzucht is veel ernstiger dan alleen maar een ziekte. Wanneer we hebzucht, lust en onszelf boven God stellen, dan wordt hebzucht afgoderij.

Paulus waarschuwt ons: “Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, om welke dingen de toorn Gods komt” (Kolossenzen 3:5-6).

Ergens anders verbindt Paulus de zonden van hebzucht met afgoderij, waarbij hij erop wijst dat deze en andere zonden ons kunnen belemmeren het Koninkrijk van God in te gaan. “Want hiervan moet gij doordrongen zijn, dat in geen geval een hoereerder, onreine of geldgierige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en God” (EfeziĎrs 5:5).

 

Hebzucht bestrijden

 

Jezus beval Zijn discipelen: “Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit” (Lukas 12:15). Paulus vertelt ons evenzo: “Zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen” (Filippenzen 2:3-4).

Gods weg, de weg van liefde, is op deze manier bezorgdheid voor anderen te tonen. “Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet” (Romeinen 13:9-10).

Om hebzucht te bestrijden moeten we vertrouwen hebben dat God voor een weg zal zorgen om in onze rechtmatige behoeften te voorzien. We hebben goede reden om zulk vertrouwen te hebben. De Schrift belooft ons dat Hij ons nooit zal verlaten, als we gehoorzamen en Hem vertrouwen. “Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten’” (HebreeĎn 13:5).

Paulus benadrukt dezelfde principes in andere woorden: “Want wij hebben niets op de wereld medegebracht; wij kunnen er ook niets uit medenemen. Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn. Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord” (1 Timotheüs 6:7-10).

Hebzucht kan niet overwonnen worden zonder hulp van God. De negatieve trekkracht van de menselijke natuur is gewoon te sterk voor ons om het zelf te overwinnen.

Om de hulp te ontvangen die we nodig hebben, moeten we erom vragen – God speciaal verzoeken om ons de Heilige Geest te geven (Lukas 11:13). Daarna moeten we Gods Geest toestaan in ons te werken om onze manier van denken te veranderen. “Dit bedoel ik: wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees. Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees (want deze staan tegenover elkander) zodat gij niet doet wat gij maar wenst” (Galaten 5:16-17). Handelingen 2:38 verklaart hoe we de Heilige Geest kunnen ontvangen. (Voor meer informatie over Gods Geest en hoe die te ontvangen te ontvangen, kunt u ons gratis boekje aanvragen: De Weg naar Eeuwig Leven.)

 

Onze verlangens dirigeren

 

We moeten onze verlangens in de goede richting dirigeren. Jezus verklaarde dat we “eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid zoeken” (Mattheüs 6:33). Hij leerde ons ook: “…verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn” (Mattheüs 6:20-21).

Juiste en nuttige relaties, geestelijk begrip en wijsheid zijn voorbeelden van blijvende schatten waarvan God wil dat wij die verlangen. “Ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de verstandigheid uw stem verheft; indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten, dan zult gij de vreze des Heren verstaan en de kennis Gods vinden” (Spreuken 2:3-5).

God zegt: “Want wijsheid is beter dan koralen, al wat men zou kunnen begeren, kan haar niet evenaren” (Spreuken 8:11). Zijn Woord beschrijft een aantal beloningen van wijsheid: “Mijn vrucht is meer waard dan goud, ja dan gelouterd goud, mijn opbrengst meer dan uitgelezen zilver. Ik wandel op het pad van de gerechtigheid, midden op de wegen van het recht, om hen die mij liefhebben, bezit te doen beĎrven; hun schatkamers zal ik vullen” (verzen 19-21). Het loont om wijsheid te zoeken met gerechtigheid.

Om te willen uitblinken in onze doelstellingen kan een goede ambitie zijn. Als onze doelstelling is om bruikbaar te zijn voor anderen, heeft het Gods goedkeuring als wij daarvoor de juiste vaardigheden en kennis opdoen die gunst en voordeel in dit leven brengen. Zoals een wijze dienstknecht van God schreef: “Ziet gij een man, vaardig in zijn werk, hij zal ten dienste van koningen gesteld worden; ten dienste van onaanzienlijken wordt hij niet gesteld” (Spreuken 22:29).

God wil dat bezorgdheid voor anderen de motivatie is voor onze verlangens. Soms zal onze dienst aan hen resulteren in prachtige beloningen voor ons. Maar alleen als wij het geven boven het krijgen stellen, zullen onze verlangens in de goede richting worden geleid. We moeten hebzucht vervangen door dienst en liefde voor andere mensen.

Het boek HebreeĎn herinnert ons eraan om niet “de weldadigheid en de mededeelzaamheid te vergeten, want in zulke offers heeft God een welgevallen” (HebreeĎn 13:16). We moeten naar het voorbeeld kijken van de apostel Paulus, die zei: “Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd; zelf weet gij, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen, die bij mij waren, hebben voorzien. Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en zich de woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen” (Handelingen 20:33-35).

 

 

De Tien Geboden in het Nieuwe Testament

 

Het langste hoofdstuk in de Bijbel is een uitgebreide lofuiting van Gods Woord en wet. “Zij, die uw wet liefhebben, hebben grote vrede, er is voor hen geen struikelblok. Op uw heil hoop ik, o Here, en uw geboden doe ik. Mijn ziel onderhoudt uw getuigenissen, ik heb ze hartelijk lief (Psalm 119:165-167).

Als toch de hele wereld Gods wet in dat licht zou zien! Maar helaas zijn de Tien Geboden als norm van menselijk gedrag door onze maatschappij verworpen. Zelfs velen die vandaag beweren Christus te volgen, zien de Tien Geboden als irrelevant omdat hen geleerd is dat Gods wet bij de dood van Christus is weggedaan.

Toch vertelt Gods Woord ons dat Zijn wet “perfect” is en Zijn verordeningen “zijn waarheid, altegader rechtvaardig” (Psalm 19:7, 9). Instemmend bevestigt David: “opdat ik uw wet bestendig onderhoude, voor altoos en immer” (Psalm 119:44).

Maakt het uit of we de Tien Geboden gehoorzamen?

 

Het antwoord vinden

 

Zou het niet geweldig zijn als we Jezus Christus konden vragen of het onderhouden van de Tien Geboden nog nodig is om eeuwig leven te ontvangen?

Eigenlijk is dat niet zo moeilijk als het eruit ziet. Die vraag werd direct gesteld aan Jezus, en de Bijbel bewaart Zijn antwoord voor ons. “En zie, iemand kwam tot Hem en zeide: Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Hij zeide tot hem: ‘Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden’” (Mattheüs 19:16-17). Duidelijker wordt het niet. Jezus zei dat Hij verwacht van iedereen die de gave van eeuwig leven wenst te ontvangen Gods geboden onderhoudt.

De persoon vroeg toen welke geboden Jezus precies bedoelde. Had Hij de Tien Geboden in gedachten, of verwees Hij naar de vele buitenBijbelse wetten, onderwezen door andere religieuze leiders?

Jezus liet hierover geen twijfel bestaan, en antwoordde: “Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” (verzen 18-19).

Hij somde in het kort de helft van de Tien Geboden op. Hij haalde daarna een ander gebod aan, uit Leviticus 19:18, die de bedoeling samenvat van de Tien Geboden en de geldigheid van de rest van de wet bevestigt. Hij verwees duidelijk naar de wet van God, niet naar de beperkingen die door bepaalde andere religieuze leiders zijn toegevoegd (Mattheüs 15:1-3).

Veel mensen hebben gehoord dat Jezus de wetten uit het de Oude Testament afschafte. Hier geeft Jezus ons weer Zijn eigen directe antwoord: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.

Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen” (Mattheüs 5:17-19).

Weer sprak Jezus helder en duidelijk. Gods wet is niet afgeschaft, en iemand die aldus onderwijst, weerspreekt Hem, volgens Christus’ eigen woorden direct.

Velen nemen aan dat men Gods wet niet hoeft te houden omdat Christus het heeft “vervuld”. Maar deze mensen begrijpen de duidelijke woorden van Christus fundamenteel verkeerd. Het woord dat vertaald is met vervuld in deze passage, betekent “vol maken, volledig vullen” en dat is precies wat Jezus deed. Hij hield de Tien Geboden perfect en vervulde hun betekenis compleet. Hij toonde hun geestelijke bedoeling, verklarende dat ongerechtvaardigde woede gelijk staat aan moord (verzen 21-22), en dat lust mentaal en emotioneel overspel is (verzen 27-28). Jezus breidde de bedoeling uit van de Tien Geboden.

Hij maakte het ook zonder meer duidelijk dat God de mensen koestert die Zijn wetten gehoorzamen. Maar als iemand Zijn geboden overtreedt, dan zal snel Gods genegenheid voor hem snel verminderen.

Jezus verwacht veel meer van ons dan lippendienst. Hij eist dat wij doen wat de Vader geboden heeft. Jezus zei: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is” (Mattheüs 7:21). Jezus onderwees simpelweg gehoorzaamheid aan Gods wet.

Er is geen excuus te geloven dat Jezus kwam om welk gebod van God dan ook af te schaffen. Integendeel, toen Christus gevraagd werd: “Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden”(Mattheüs 19:16-17).

Hij verklaarde dat het gehoorzamen van de Tien Geboden een eerste vereiste is om Gods gift van eeuwig leven te ontvangen. Iemand die zich bekeert, is iemand die eenvoudig de wetten van God begint te houden, omdat zonde het overtreden van die wetten is (1 Johannes 3:4).

 

 

Schaft het Nieuwe Verbond de Geboden af?

 

De Bijbel vertelt ons dat Christus kwam als de Bemiddelaar van een nieuw verbond (HebreeĎn 8:6). Het populaire geloof dat het Nieuwe Verbond Gods wet afschaft, geeft een verkeerd begrip weer van beide verbonden. God vertelt ons dat Hij het originele verbond veranderde en er “een beter verbond” van maakte, “die op betere beloften gevestigd was” (vers 6). Maar het was niet gevestigd op andere wetten. De wet bleef hetzelfde.

Er was echter een zwakte, of fout, in het originele verbond. Die fout was bij het volk, niet bij de wet. “Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis IsraĎls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen” (vers 8). Het was omdat het volk “zich niet gehouden heeft aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here” (vers 9).

In het Oude Verbond schreef God de wet op stenen tafelen. Het was uiterlijk, niet deel van het denken en de motieven van het volk. Het was in hun literatuur maar niet in hun harten. In het Nieuwe Verbond schrijft God de wet in het verstand en hart van Zijn volk (HebreeĎn 8:10; Jeremia 31:33-34).

Om het mensen mogelijk te maken zich de wet eigen te maken – het liefhebben en het vurig en gewillig te gehoorzamen - maakt God deze belofte: “een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt” (EzechiĎl 36:26-27). Gods Geest maakt het Zijn volk mogelijk Zijn wetten te gehoorzamen.

Mensen die de Heilige Geest niet hebben, zijn niet in staat om met het gehele hart te gehoorzamen. Waarom? “Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen” (Romeinen 8:7-8).

Dit is waarom het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond verschillen. Paulus verklaart: “Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees; God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest” (Romeinen 8:3-4; zie ook 1 Johannes 3:4).

De International Critical Commentary, verwijzend naar Romeinen 8:4, zegt: “Gods bedoeling met het ‘veroordelen’ van zonde, was dat Zijn wetten in ons vervuld zouden worden, met andere woorden: dat Zijn wet in ons gevestigd zou worden, zodat Hij uiteindelijk waarlijk en oprecht gehoorzaamd zou worden – de vervulling van de beloften van Jeremia 31:33 en EzechiĎl 36:26.”

In een kanttekening van Jeremia 31:33-34 verklaart het commentaar dat deze passage “vaak verkeerd begrepen is als een belofte van een nieuwe wet om de plaats in te nemen van het oude of als een belofte van een religie zonder enige wet. Maar het nieuwe, beloofd in vers 33, is in feite noch een nieuwe wet noch vrijheid van de wet, maar een oprecht innerlijk verlangen en vastberadenheid van Gods volk de wet te gehoorzamen die reeds gegeven was…”

De volgende passages in het Nieuwe Testament bevestigen uitvoerig of door voorbeeld, dat Jezus Christus en de apostelen de Tien Geboden zagen als een noodzakelijk deel van christelijk leven.

Eerste Gebod: Mattheüs 4:10; 22:37-39.

Tweede Gebod: 1 Johannes 5:21; 1 KorinthiĎrs 6:9; 10:7, 14; EfeziĎrs 5:5.

Derde Gebod: Mattheüs 5:33-34; 7:21-23; Lukas 11:2; 1 Timotheüs 6:1.

Vierde Gebod: Lukas 4:16; Handelingen 13:14,42,44; 16:13; 17:2; 18:4; HebreeĎn 4:4,9.

Vijfde Gebod: Mattheüs 15:3-6;19:17-19; EfeziĎrs 6:2-3.

Zesde Gebod: Mattheüs 5:21-22; 19:17-18; Romeinen 13:9; Galaten 5:19-21; Jakobus 2:10-12.

Zevende Gebod: Mattheüs 5:27-28; 19:17-18; Romeinen 13:9; 1 KorinthiĎrs 6:9; 10:8; EfeziĎrs 5:5; Galaten 5:19-21; Jakobus 2:10-12.

Achtste Gebod: Mattheüs 19:17-18; Romeinen 13:9; EfeziĎrs 4:28.

Negende Gebod: Mattheüs 19:17-18; Romeinen 13:9; Kolossenzen 3:9; EfeziĎrs 4:25.

Tiende Gebod: Lukas 12:15; Romeinen 7:7; EfeziĎrs 5:3, 5.

 

 

Paulus onderwees gehoorzaamheid aan de wet

 

Sommigen gebruiken delen van de geschriften van Paulus selectief, met de bedoeling te zeggen dat hij tegen Gods wetten onderwees. Toch legt Paulus een van de meest krachtige en ondubbelzinnige verklaringen af tot steun van het houden van Gods wet. Hij vergelijkt de waarden van de besnijdenis met de waarden van Gods geboden: “Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden van Gods geboden” (1 KorintiĎrs 7:19).

In de introductie van zijn brief aan de kerk in Rome, verklaart Paulus dat hij en de andere apostelen allen “genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen” (Romeinen 1:5). Waar streefde Paulus persoonlijk naar te gehoorzamen? In samenhang met het omschrijven van de strijd die we allen voeren tegen de zwakte van het vlees, schreef Paulus: “Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods…” (Romeinen 7:25). De wet van God was geschreven in Paulus’ verstand en hart, net zoals het in die van ons behoort te zijn (HebreeĎn 10:16).

Paulus verklaarde duidelijk zijn persoonlijke visie van Gods wet: “Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” (Romeinen 7:12). En “naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods” (vers 22). Hij noemt het een “geestelijke” wet (vers 14).

Paulus leerde: “Want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden”(Romeinen 2:13). Dit zijn duidelijke verklaringen die tonen dat Paulus volledig Gods wet steunde.

Degenen die tegen Paulus waren, waren de eersten om hem vals te beschuldigen van wetsovertreding. Op een van zijn processen “omringden hem de Joden, die uit Jeruzalem gekomen waren, en brachten vele zware beschuldigingen in, die zij niet konden bewijzen,

terwijl Paulus zich aldus verdedigde: ‘Ik heb noch tegen de wet der Joden noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets misdreven’” (Handelingen 25:7-8).

Op een soortgelijke wijze zei Paulus duidelijk tegen diegenen die hem berechtten dat hij de Oud Testamentische Geschriften bleef gebruiken als de autoriteit voor zijn geloof: “Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij een sekte noemen, inderdaad de God der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat... (Handelingen 24:14).

Beschuldigingen – van toen of nu – dat Paulus tegen de wet van God onderwees, zijn bedrieglijk. Zelfs over zijn prediking tot de heidenen zei hij: “Want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen….” (Romeinen 15:18). Paulus onderhield Gods geboden. Hij onderwees ze aan joden en heidenen gelijk.

 

 

Genade, Geloof en Wet

 

Paulus onderwees dat verlossing een gift van God is door genade van geloof (EfeziĎrs 2:8). Het Griekse woord voor “genade” is charis, wat een geschenk of gunst betekent. In het Nieuwe Testament kan het verwijzen naar Gods gift van barmhartigheid ėf naar Zijn almachtige gunst.

Paulus maakt het door heel zijn schrijven duidelijk, dat Gods genade dat leidt tot verlossing “niet uit werken is, opdat niemand roeme” (vers 9). Maar Paulus’ volledige perspectief op christelijke werken wordt algemeen genegeerd door tegenstanders van gehoorzaamheid van Gods wet.

Kijk naar Paulus’ perspectief in het volgende vers: “Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” (vers 10). Degenen die de redenen negeren waarom wij Gods “maaksels” zijn, die negeren waarom wij zijn “geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen” en waarom we daarin moeten “wandelen”, missen een belangrijk deel van Paulus’ boodschap.

Let op wat Paulus zegt over de wisselwerking tussen gehoorzaamheid en werken gerelateerd aan de verlossing tot Gods werk in ons, wat ons mogelijk maakt Zijn doel in ons te voltooien: “Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt” (Filippenzen 2:12-13).

Vergeving en verlossing zijn zeker geschenken van God. Ze kunnen niet verdiend worden. Als mensen bezitten we niets van voldoende waarde om de vergeving van onze zonden en onze verlossing te betalen. Doch, Jezus vertelt ons dat “als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen” (Lukas 13:3, 5). Door bekering verdienen we geen verlossing, maar bekering is een voorwaarde voor verlossing.

Bekering is eenvoudig wegkeren van zonde, wetteloos gedrag opgeven (1 Johannes 3:4). We kunnen de Heilige Geest niet ontvangen, tenzij we ons willen bekeren en ons aan de wet houden (Handelingen 2:38).

Geloof is een andere voorwaarde voor verlossing. We lezen: “zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn”(HebreeĎn 11:6). En: “om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus zijn. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed” (Romeinen 3:24, 25). Omdat geloof door God verlangd wordt, betekent niet dat we verlossing verdienen door geloof te hebben.

We verdienen verlossing ook niet door werken. Maar, zoals de vele teksten in dit boekje duidelijk maken, verwacht God klaarblijkelijk geloof en gehoorzaamheid in diegenen aan wie Hij de gift van eeuwig leven wil verlenen. Degenen die zich verzetten tegen Gods wetten, halen bepaalde verklaringen die Paulus heeft gemaakt uit zijn context, en negeren andere verklaringen die zijn bedoeling verduidelijken.

Paulus’ discussie over geloof en werken in Romeinen 3 is een voorbeeld van zo’n passage. In vers 28 lezen we: “Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.” Paulus spreekt over rechtvaardiging – Christus’ dood die onze vorige overtredingen heeft bedekt. Hij laat zien dat we nooit vergeving kunnen verdienen.

Maar dat heeft niets te maken met de manier waarop wij behoren te leven. Het heeft geen enkele betrekking op het belang van Gods wet als de gids voor ons gedrag. Paulus spreekt alleen over hoe “Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden” (vers 25) opdat we verder kunnen gaan met ons leven als gehoorzame dienstknechten van God.

Om er zeker van te zijn dat we dit begrijpen, zegt Paulus in vers 31: Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet”.

Paulus wil dat we begrijpen dat hij er zelfs niet over zinspeelt dat Gods wet ongeldig gemaakt of afgeschaft werd. Integendeel, zonder de wet zouden we niet kunnen begrijpen wat zonde is, “want wet doet zonde kennen” (vers 20). Om zonde te laten bestaan moet er een wet zijn omdat “de zonde wetteloosheid is” (1 Johannes 3:4).

Daarom zegt Paulus dat het concept van Gods “genade” of vergeving bevestigt dat Zijn wet nog steeds van kracht is en dat zonde die wet overtreedt. Gods genade door geloof vereist een wet die de zonden beschrijft die vergeven moeten worden. Dus, om Paulus te herhalen: “Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.”

 

 

Petrus en Johannes onderwijzen gehoorzaamheid

 

De apostel Johannes omschrijft duidelijk zonde, namelijk door te vertellen dat “de zonde wetteloosheid is” (1 Johannes 3:4). Johannes beschrijft ook, net zoals Paulus, de heiligen als zij “die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren” (Openbaring 14:12). Hij geeft ons ook de nuchtere waarschuwing: “Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet” (1 Johannes 2:4).

Petrus levert een soortgelijke waarschuwing. “Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen te hebben van de weg der gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod dat hun overgeleverd is” (2 Petrus 2:20-21).

In het laatste hoofdstuk van de Bijbel herinnert Jezus Christus ons, door de apostel Johannes, aan de uiterst belangrijkheid van Gods geboden voor ons eeuwig leven. “Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.” (Openbaring 22:14, Statenvertaling-Jongbloed editie).

Het is belangrijk dat we geloven wat Jezus en Zijn apostelen zeiden over hun eigen visie van de geboden van God. Als ons dat eenmaal duidelijk is, dan kunnen de redeneringen van mensen ons niet afhouden om die geboden vanuit ons hart te respecteren en gehoorzamen.

God zei tot Mozes: “Och, hadden zij steeds zulk een hart om Mij te vrezen en om al mijn geboden te onderhouden, opdat het hun en hun kinderen voor altoos wel mocht gaan!” (Deuteronomium 5:29). En Jezus zei: “Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde” (Johannes 15:10).

Denk aan het advies in de eerste Psalm: “Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters; maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; al wat hij onderneemt, gelukt” (Psalm 1:1-3).

 

 

Christus’ Nieuwe Gebod

 

Jezus zei: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt” (Johannes 13:34). Verving Jezus de duidelijke definitie van liefde in de Tien Geboden met een nieuw religieus principe, dat slechts liefde ons leven kan leiden?

Overtreft dit nieuwe gebod de Tien Geboden en vervangt het alle andere Bijbelse wetten? Jezus beantwoordde duidelijk deze fundamentele vraag toen Hij zei: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden” (Mattheüs 5:17).

Toch geloven veel mensen die in Christus geloven als onze Heiland, dat dit nieuwe gebod hen ook bevrijdt van elke verplichting Gods wetten te gehoorzamen.

Ze begrijpen niet wat Jezus zei en bedoelde. De Heilige Schrift in het Oude en Nieuwe Testament leert dat wij elkaar moeten liefhebben (Leviticus 19:18). Jezus introduceerde liefde niet als een nieuw principe. Dat stond al in de Bijbel en was een fundamenteel deel van Gods instructie aan het oude IsraĎl.

Wat was dan nieuw in Christus “nieuw gebod”? Let op Zijn woorden. Hij zei dat we “elkaar lief moeten hebben, gelijk Ik u liefgehad heb…

Wat nieuw was, was Zijn eigen voorbeeld van liefde! De hele wereld heeft een perfect model van de liefde van God in Christus’ perfecte voorbeeld van liefhebbende gehoorzaamheid. Christus had ons zo lief dat Hij Zijn eigen leven opofferde voor ons. Hij verklaarde Zelf: “Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden” (Johannes 15:13).

Jezus kwam als het licht der wereld om de toepassing van de koninklijke wet van liefde te verlichten. We hebben niet langer een excuus door te zeggen dat we niet begrijpen wat we moeten doen en hoe we het moeten doen. Jezus demonstreerde waar liefdevolle gehoorzaamheid over gaat: “Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde” (Johannes 15:10).

We geven gehoor aan Jezus’ “nieuw gebod” wanneer we elk gebod van God gehoorzamen in een eerlijke liefdevolle wijze en bereid zijn ons leven te riskeren voor het welzijn van anderen.

 

De keuze is aan ons

 

Elk mens moet kiezen de levende God, Die ons de Tien Geboden gaf, wel of niet te gehoorzamen. Zijn normen zijn de leidraden voor onze gedachten en de maatstaf voor ons gedrag. Ze kunnen ons verstand en hart vormen. Of we kunnen ze negeren en een andere weg kiezen.

In onze besluitvorming moeten we aan de woorden van Jezus Christus denken: “…indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden” (Mattheüs 19:17). God vermaant ons onze keuze te overdenken. “Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade: doordat ik u heden gebied de Here, uw God, lief te hebben door in zijn wegen te wandelen en zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, opdat gij leeft en talrijk wordt en de Here, uw God, u zegene in het land, dat gij in bezit gaat nemen. Maar indien uw hart zich afwendt en gij niet luistert doch u laat verleiden en u voor andere goden nederbuigt en hen dient, dan verkondig ik u heden, dat gij zeker te gronde zult gaan; niet lang zult gij leven in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit gaat nemen. Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht” (Deuteronomium 30:15-19).