Het Nederlandse Supplement van

 

 

 

 

september-october 2003

Deel 1: Gods Beloften

De Tien Verloren Stammen van IsraŽl.

 

Ver terug in de geschiedenis rond 732 v.Chr. werden de tien stammen van IsraŽl uit hun land gedeporteerd en zijn nooit meer teruggekeerd(2 Koningen 17:23;18:11).
Waar zijn deze verloren stammen gebleven? De bijbel spreekt over een eindtijd waarin deze stammen samen met Juda weer ťťn natie zullen worden. Ze zij er dus nog! Verder had God aan de nazaten van Abraham, Isaak en Jacob grote welvaarten macht beloofd. Deze beloften van de grote welvaart en macht moesten in vervulling gaan! Wat de identiteit van deze tien verloren stammen is en waar zij zich nu bevinden, wordt in deze serie artikelen behandeld.

Weten wie en waar de verloren stammen zijn is een Hoofdsleutel tot het begrijpen van alle bijbelse profetieŽn. Het verklaart waarom zo veel profetieŽn spreken over een komend herstel van alle stammen van IsraŽl tot ťťn herenigd koninkrijk.

 

Een van Gods toezeggingen aan Abraham en zijn nakomelingen was:

,,... en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend wordeníí (Genesis 12:3).

Teneinde enkele van de meest verbazingwekkende en inspirerende profetieŽn van de Bijbel te begrijpen moeten wij een studie ondernemen die begint met de tijd van 4000 jaar geleden Ė toen God begon te werken met een zekere Abraham. Abraham leefde in MesopotamiŽ, de wieg van de beschaving, in de stad Ur, een van de oudste steden waarvan archeologen resten hebben gevonden.

 

Abraham was een opmerkelijke figuur. God deed hem verbazende beloften die nog steeds van invloed zijn op niet alleen zijn afstammelingen, maar op de hele wereld. Het verhaal van zijn nakomelingschap is eveneens zeer opmerkelijk. Het beslaat een groot deel van wat wij kennen als het Oude Testament. Het is een verhaal van grote themaís: de opkomst en ondergang van zowel grote mannen en vrouwen als van koninkrijken en wereldrijken.

Het verhaal van Abrahams nakomelingen vormt een deel van de wendingen en gebeurtenissen ervan en van meer dan een paar mysteries.

 

De boeken van het Oude Testament beschrijven hoe Abrahams nakomelingschap zich zou ontwikkelen tot een machtige natie Ė het koninkrijk IsraŽl Ė en een bijzonder verbond zou aangaan met God. IsraŽl, dat uit 12 stammen of familiegroepen bestond, was gedurende enige tijd inderdaad een zeer machtig land.

 Het duurde echter niet lang of de IsraŽlieten raakten verdeeld in twee wedijverende koninkrijken. Toen het grotere van de twee, dat de naam IsraŽl behield (bestaande uit 10 van de 12 stammen), zijn verbond met God verwierp, zette het een van de grootste mysteries van de geschiedenis in werking, toen de mensen werden gedwongen in ballingschap te gaan.

 

Het kleinere, zuidelijke koninkrijk Juda Ė in hoofdzaak bestaande uit de twee resterende stammen Ė leerde niet de les van hun noordelijke verwanten. ††††† Ook de JudeŽrs verwierpen God en werden eveneens in ballingschap gevoerd. Voor het grootste deel echter behielden zij hun identiteit en zijn door de geschiedenis heen zichtbaar gebleven als het kleine en vaak vervolgde Joodse volk.

Maar wat is er gebeurd met de 10 stammen van IsraŽl? In de achtste eeuw v.C. werden zij door het Assyrische Rijk veroverd en uit hun land verdreven. In de gangbare geschiedenisboeken van vandaag worden zij echter niet vermeld. De wereld herinnert zich hen slechts als de 10 verloren stammen van IsraŽl.

God is echter met alle 12 stammen van IsraŽl een verbond aangegaan. Hij heeft beloofd dat zij altijd zijn volk zouden blijven en dat Hij altijd hun God zou zijn. Kunnen wij Hem op zijn woord geloven? Hoe is dat mogelijk als, zoals men aanneemt, de 10 verloren zijn uitgestorven?

 

Om het raadsel te vergroten zegt de Bijbel herhaaldelijk dat deze naar verluidt verloren IsraŽlieten bestemd zijn weer in een prominente rol op het wereldtoneel te verschijnen onmiddellijk na Jezusí terugkeer Ė na hun redding uit een ,,tijd van verdrukkingĒ die hun eerdere lijdensweg kan doen verbleken. De oude profeten spreken er zelfs over dat zij na die tijd van problemen zullen worden hersteld in hun oorspronkelijke land onder de heerschappij van de Messias.

Let op deze belofte van Jezus aan zijn apostelen: ,,Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van IsraŽl te richtenĒ (MattheŁs 19:28).

Bedoelde Jezus wat Hij zei? Als deze nakomelingen van IsraŽl bestemd zijn in de toekomst een rol te spelen die God voor de wereld heeft geprofeteerd, waar bevinden zij zich dan nu? Hoe kunnen wij hen onder de volken van de hedendaagse wereld identificeren? En waarom is deze kennis van belang voor ons?

 

Naarmate we met deze onthullende studie verder komen, zult u zien hoezeer God is betrokken bij het vormgeven van belangrijke aspecten van onze wereld. U kunt zich niet veroorloven van deze kennis niet op de hoogte te zijn.

Als deze informatie over de verloren stammen alleen historische of archeologische waarde had, zou het alleen van waarde zijn voor hen die zich voor geschiedenis interesseren. Maar ze is veel belangrijker.

 

Het is een hoofdsleutel tot het begrijpen van alle bijbelse profetieŽn. Het verklaart waarom zo veel profetieŽn spreken over een komend herstel van alle stammen van IsraŽl tot ťťn herenigd koninkrijk, en waarom die profetieŽn in de Bijbel zoín grote plaats innemen.

Door dit ongelooflijke verhaal te begrijpen kunt u veel leren over wat God verwacht van allen die Hem willen dienen. Moge God u het geestelijke inzicht geven dit verbazende verhaal te begrijpen en de lessen die u zult ontdekken in acht te nemen.

 

Relaties en overeenkomsten

 

Ons verhaal begint met een serie opmerkelijke beloften die God duizenden jaren geleden gaf aan een zekere Abram.

 

,,De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend wordeníí (Genesis 12:1-3).

 

Zoals we zullen zien is God altijd trouw aan zijn beloften. Voorbereidingen voor zijn relatie met het oude IsraŽl begonnen eeuwen voordat het een natie werd. Hij begon zijn plannen voor IsraŽl als een groep stammen Ė ofwel grote families Ė toen Hij een relatie met Abram aanging. Later veranderde Hij de naam Abram, dat ,,verheven vaderĒ betekent, in Abraham, dat ,,vader van een menigte volkeníí betekent (Genesis 17:5).

Let nogmaals op Gods belofte aan hem: ,,Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend wordeníí (Genesis 12:3).

Een fantastische toezegging! Met deze beloften stelde God een ontzagwekkend plan in werking met de bedoeling ,,alle geslachten des aardbodemsíí te zegenen wanneer ze worden vervuld. De geschiedenis en de profetieŽn van deze van Abraham afstammende natie zijn belangrijk niet alleen voor zijn eigen volk, maar voor alle volken.

Later gaf God deze beloften door aan Abrahams zoon Isaak, zijn kleinzoon Jakob en vervolgens aan Jacobs 12 zonen Ė uit wie de 12 stammen van IsraŽl voortkwamen. God verschafte latere generaties meer details over zijn doel met IsraŽl en over hoe Hij zijn grote plan met hen wil verwezenlijken.

Deze toezegging van de Schepper van de mensheid is de rode draad die door de verschillende onderdelen van de Bijbel loopt. Ze vergroot de betekenis van en geeft structuur aan de Bijbel. Zelfs de opdracht van Christus is een voortzetting van deze belofte.

Ongeveer 800 jaar nadat IsraŽl als natie verdween, beschreef de apostel Paulus de heidenen (niet-IsraŽlieten) die ,,zonder ChristusĒ zijn als ,,uitgesloten van het burgerrecht IsraŽls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereldíí (EfeziŽrs 2:12).

 

Dit is krachtige taal, maar het onderstreept het belang van Gods verplichting aan Abraham en bevestigt dat Paulus wist dat IsraŽl, met inbegrip van de 10 verloren stammen, nog steeds bestond. Als Paulus uitsluitend over de Joden, de stam die het zuidelijke koninkrijk uitmaakte, gesproken had, dan zou hij hebben gesproken over Juda, niet over IsraŽl (zie ,,Zijn alle IsraŽlieten Joden?íí, p. 25).

Paulus legde vervolgens Gods bedoeling uit: ,,[Het geheimenis van Christus,] dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: dit geheimenis, dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelieíí (EfeziŽrs 3:5-6).

 

Hoe kunnen alle mensen deel hebben aan de beloften die God aan Abraham deed door Jezus? Paulus verklaart: ,,Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenameníí (Galaten 3:29).

Dit betekent dat God allen die zijn dienstknechten worden moet enten in de familie van Abraham en dat God heeft zich er door een reeks verbonden toe heeft verplicht dit te doen (Romeinen 11:13-27).

Gods belofte aan Abraham was niet beperkt tot een klein volk uit het oude Midden-Oosten. De belofte reikt ver in de toekomst en is niet tot nationale grenzen beperkt. Vanaf het begin vormde God deze belofte om aan alle volken zegeningen te brengen. Dat is zijn doel. Dat zal Hij ook verwezenlijken.

 

Waarom Abraham

 

Waarom koos God Abraham uit om zijn dienstknecht te zijn en door hem het oude IsraŽl als natie op te richten? Wat stond God voor ogen en waarom riep Hij Abraham tot zijn dienst in die bepaalde periode van de geschiedenis?

Na de Zondvloed ten tijde van Noach keerden de mensen God eens te meer de rug toe. In Abrahams tijd waren alle volken opnieuw corrupt geworden.

God stelde toen een belangrijk aspect in werking van zijn plan om de mensheid behoud te bieden. Het uitkiezen van Abraham was een belangrijke stap in Gods lange-termijnplan om alle volken tot Hem te doen terugkeren. De rest van de Bijbel gaat over dat plan om de hele mensheid met Zich te verzoenen.

 

U herinnert zich misschien dat God kort voor de Zondvloed de aarde zag ,,en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgeníí (Genesis 6:12-13). God spaarde alleen Noach en zijn vrouw en hun drie zonen en hun vrouwen.

 

Kort na de Zondvloed, toen de mensheid zich opnieuw tegen de wegen van God begon te verzetten, werd de Toren van Babel het symbool van haar opstandigheid (Genesis 11:1-9). In het verband van deze opstandigheid en het oprichten van stadstaten van menselijke regeringssystemen dat ermee gepaard ging, begon God een nieuwe fase in zijn plan om alle volken ertoe te leiden Hem te eren. Hij besloot ťťn getrouwe man uit te kiezen en diens afstammelingen te ontwikkelen tot een groep invloedrijke naties die werd gekozen met het uitdrukkelijke doel zijn waarden en levenswijze te onderwijzen en te illustreren.

Een deel van dat plan behelst Gods wens dat alle volken het grote verschil zullen erkennen tussen die twee tegengestelde levenswijzen. Hij wil dat iedere persoon leert dat alleen Gods wegen duurzame zegeningen aan alle volken kunnen brengen.

 

Gekozen om te dienen

 

God schiep alle mensen op aarde ,,uit ťťn enkele [persoon]íí (Handelingen 17:26). Het verhaal van de IsraŽlieten is het verhaal van een enkele familie die door de Schepper-God uit alle volken op aarde werd uitgekozen om zijn dienst uit te voeren.

Hoewel de IsraŽlieten een uitverkoren volk waren, waren zij op geen enkele wijze superieur, niet in de Oudheid en niet nu. De apostel Petrus verklaarde later ,,dat er bij God geen aanneming des persoons is, maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevalligíí (Handelingen 10:34-35). Dit is altijd zo geweest.

Sommige mensen nemen misschien aan dat God besloot met Abraham en zijn nakomelingen te werken omdat zij op een of andere wijze sterker of beter van inborst waren dan andere volken. Dat is eenvoudig niet het geval. God besloot opzettelijk te werken met een klein groepje mensen dat geen internationale betekenis had.

Zie wat God tot het oude IsraŽl zei: ,,Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de Here Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. Maar, omdat de Here u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had ... opdat gij zoudt weten, dat de Here, uw God, de enige God is, de trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhoudeníí (Deuteronomium 7:7-9; vgl. 1 KorinthiŽrs 1:26-29).

 

God koos Abraham voor een bepaalde taak. Maar Hij stelde Abraham ook op de proef om te zien of hij trouw aan Hem zou zijn. Abraham doorstond die testen. God begon hem toen te gebruiken omdat hij zijn Schepper geloofde en vertrouwde. ,,Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekendíí (Romeinen 4:3; vgl. Genesis 15:6).

Abrahams uitgebreide familie groeide uit tot een nog grotere menigte, de nakomelingen van de 12 zonen van Jakob. God maakte hen tot een natie en ging een verbondsrelatie met hen aan. Gezamenlijk werden zij bekend als ,,IsraŽlĒ, ,,de zonen van IsraŽlíí of ,,de kinderen IsraŽlsíí.

IsraŽl was een andere naam voor Jakob. Toen God rechtstreeks met Jakob begon te werken, noemde Hij hem IsraŽl, wat betekent ,,hij die overwint met Godíí of ,,een vorst met GodĒ (Genesis 32:24-30).

IsraŽls afstammelingen werden ook bekend als ,,het zaad van AbrahamĒ, het ďHuis van IsaakĒ, het ďHuis van JakobĒ, of eenvoudig ,,JakobĒ Ė en ook bij hun individuele stamnamen: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Zebulon, Issachar, Dan, Gad, Aser, Naphtali, Benjamin en Jozef.

De patriarch Jakob adopteerde later EfraÔm en Manasse, zijn kleinzoons door zijn zoon Jozef, als zijn eigen zoons met betrekking tot zijn erfenis. Bijgevolg is er historisch gezegd dat het volk IsraŽl uit ofwel 12 ofwel 13 stammen bestond, afhankelijk van of de afstammelingen van Jozef als ťťn stam (Jozef) of als twee stammen (EfraÔm en Manasse) werden geteld.

 

Beloften van historisch belang

 

Terwijl God met Abraham werkte, verruimde Hij de reeks verbondsverplichtingen tussen hen. Deze verplichtingen werden gebaseerd op de belangrijkste en meest verreikende serie beloften en profetieŽn die ooit door God aan een mens zijn gegeven. De latere profeten van IsraŽl, Jezusí apostelen en Jezus zelf beschouwden deze beloften als het fundament van hun werk (Handelingen 3:13, 25).

Lees nog eens wat God aan aartsvader Abraham zei: ,,Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend wordeníí (Genesis 12:2-3; zie ook Genesis 18:18; 22:18; 26:4; 28:14).

De belangrijkste zegen die door Abrahams ,,zaadíí ooit ter beschikking werd gesteld aan alle volken is, horen we later van de apostelen, de zegen van eeuwig leven door Jezus Christus (Handelingen 3:25-26; Galaten 3:7-8, 16, 29). Door zijn moeder Maria werd Jezus geboren als Jood, van de stam Juda, een afstammeling van Abraham (HebreeŽn 7:14). Zijn offer opent de deur voor de mensen van alle volken tot een relatie met de God van Abraham.

 

Wanneer mensen van wat voor ras of achtergrond ook in een verbondsrelatie met Christus komen, worden ook zij Abrahams zaad. Zoals Paulus schreef in Galaten 3:28-29: ,,Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers ťťn in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.íí

Aldus is het vanaf het begin van Gods contact met Abraham in toenemende mate duidelijk dat Gods doel is behoud ter beschikking te stellen aan alle mensen. De rest van de Bijbel openbaart veel meer details van hoe God dit plan ten uitvoer zal brengen. De grondslag ervan vinden we evenwel in het boek Genesis in de beloften die God aan Abraham gaf.

 

De Bijbel openbaart vele aspecten van Gods grote plan voor het behoud van de mensheid. De geestelijke dimensie van zijn belofte aan Abraham is slechts ťťn deel van het verhaal. Als stoffelijke wezens functioneren we in een stoffelijke wereld. Daarom bereikt God zijn geestelijke doeleinden vaak door middel van stoffelijke middelen zoals het geven of terugnemen van stoffelijke zegeningen Ė volgens het principe van beloningen voor goed gedrag en bestraffing voor zonde.

Wij moeten bijvoorbeeld bezien waarom God beloofde Abraham tot een ,,groot volkíí te maken (Genesis 12:2). Veel bijbelonderzoekers begrijpen het belang van deze grote stoffelijke belofte niet. Critici van de Bijbel spotten er eenvoudig mee omdat zij denken dat het volk IsraŽl nooit is gestegen tot meer dan een paar onbelangrijke koninkrijkjes aan het oostelijke uiteinde van de Middellandse Zee. Maar zij vergissen zich. God liegt niet (Titus 1:2). Hij houdt zijn beloften. Wij zullen spoedig zien waarom en hoe God deze bijzondere belofte van nationale grootheid aan Abraham heeft vervuld.

 

In deel 2 dat in november augustus nummer verschijnt, wordt duidelijk gemaakt waarom en hoe God deze beloften aan Abraham heeft vervuld.

 

 

Grote nationale en materiŽle zegeningen beloofd

 

Van Genesis 12 tot en met 22 worden de beloften die God aan Abraham gaf in zeven passages beschreven en herbevestigd. In het eerste verslag (Genesis 12:1-3) zegt God tot Abraham zijn huis en familie te verlaten. Dit was de eerste voorwaarde waaraan Abraham moest voldoen alvorens hij de belofte kon ontvangen.

Toen Abraham bereidwillig gehoorzaamde, beloofde God hem te zegenen en zijn naam groot te maken. Zijn nageslacht zou ook groot worden. (Zoals we zullen zien zouden de resultaten van deze belofte onder ís werelds belangrijkste historische ontwikkelingen vallen.)

Enkele verzen later verscheen God aan Abraham en beloofde het land Kanašn aan zijn afstammelingen (vers 7). Gods beloften omvatten onmiskenbaar materiŽle aspecten: land en bezittingen.

 

Genesis 13 verschaft meer details over de beloften. Na het verslag van Abrahams bereidheid de vruchtbare vlakte langs de Jordaan aan zijn neef Lot te geven (vers 5-13), beloofde God op zijn beurt het hele land Kanašn voor altijd aan Abraham (vers 14-17), waaruit blijkt dat het tijdelijke en het eeuwige aspect van zijn beloften nauw samenhangen.

Hoewel Abraham nog steeds kinderloos was, beloofde God ook dat zijn afstammelingen ,,als het stof der aardeíí zouden zijn, ,,zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijníí (vers 16). De onmetelijke reikwijdte van deze belofte Ė de bijna onbegrensde uitbreiding van Abrahams nakomelingschap Ė moet niet licht worden opgevat. Zoals we zullen zien, heeft deze enorme implicaties.

 

Ongeveer een decennium later verscheen God opnieuw aan Abraham in een visioen. Ofschoon hij nog altijd geen nakomeling had, beloofde God hem opnieuw een erfgenaam Ė en deze erfgenaam, zei God, zou zijn ,,lijfelijke zooníí zijn (Genesis 15:4).

Een ongelooflijke menigte mensen zou uit die erfgenaam, Isaak, voortkomen. ,,Toen leidde Hij hem [Abraham] naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijníí (vers 5). Hoe reageerde Abraham? ,,En hij geloofde in de Here, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheidíí (vers 6).

Abrahams overtuiging dat hij erop kon vertrouwen dat God zijn woord zou houden Ė ook al was het ver in de toekomst Ė was een van de redenen dat God Abraham liefhad. God koos hem om niet alleen de vader van verscheidene machtige naties te worden, maar de vader van alle gelovigen (Romeinen 4:11). God was bezig een tweevoudige rol voor de getrouwe Abraham te verwezenlijken.

Enkele verzen later beloofde God hem niet alleen een niet te tellen aantal nakomelingen, maar het hele gebied ,,van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraatíí (Genesis 15:18). Dit uitgestrekte gebied besloeg meer land dan het land dat God in zijn oorspronkelijke belofte van het land Kanašn had inbegrepen (Genesis 12:6-7; 17:8; 24:7).

 

God breidt zijn beloften uit

 

Toen Abraham zijn geloof verder bewees, vergrootte God de reikwijdte van zijn beloften aan hem. Uiteindelijk omvatten ze veel meer dan Hij oorspronkelijk had geopenbaard. Het meest gedetailleerde verslag van Gods verbazende beloften aan Abraham staat in Genesis 17:

,,Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk; Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken ... Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanašn, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijníí (vers 1-8).

 

Evenals met vroegere uitspraken van deze belofte was Gods zegen nog altijd voorwaardelijk en gebaseerd op Abrahams gehoorzaamheid en toewijding aan geestelijke groei. Hier herinnerde God hem er weer aan door te zeggen: ,,Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijkíí (vers 1; vgl. MattheŁs 5:48).

 

Een groot volk en vele volken

 

Een belangrijk deel van Gods belofte was, zoals we eerder zagen, dat Abrahams afstammelingen zich sterk zouden vermenigvuldigen. Hier benadrukt God deze toekomstige realiteit door de patriarch een andere naam te geven. Tot nu toe heette hij Abram. God zei nu tegen hem: ,,Gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld hebíí (Genesis 17:5). Eerder zeiden we dat Abram ,,verheven vaderĒ betekent, maar Abraham betekent ,,vader van een menigteíí.

 

God ging dieper op dit aspect van zijn belofte in: ,,Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomeníí (vers 6; zie ook vers 15-16).

God vervolgde: ,,Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanašn, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn ... gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachteníí (vers 8-9). Het verslag in Genesis 17 bevestigt Gods verplichting aan Abraham van ,,een eeuwig verbondíí (vers 7, 13, 19), een bindende overeenkomst die God verplicht het land Kanašn voor altijd aan de afstammelingen van de patriarch te geven (vers 8). Gods verplichting jegens Abraham was gewichtig en vťrstrekkend.

 

Het zesde verslag van Gods belofte aan Abraham staat in Genesis 18 in een kader dat onmiddellijk voorafgaat aan de verwoesting van de van zonde vergeven steden Sodom en Gomorra. Abrahams gasten Ė engelen met het nieuws van de goddelijke straf die de twee steden zouden ondergaan Ė herbevestigden aan de 99-jarige Abraham en zijn vrouw, Sara, die 10 jaar jonger was, de ophanden zijnde geboorte van een zoon (vers 10-14).

Met Gods belofte dat Hij zijn bedoelingen voor Abraham niet zou verbergen (Genesis 18:17; zie ook Amos 3:7), bevestigden de engelen die de bejaarde patriarch bezochten de vroegere beloften dat Abraham een grote en machtige natie zou worden Ė een fysieke, materiŽle en nationale verplichting van onmetelijke reikwijdte. Zij herbevestigden tevens de messiaanse belofte dat met hem alle volken der aarde zullen gezegend worden (Genesis 18:18).

 

De belofte werd indrukwekkend vervuld toen ongeveer een jaar later Sara beviel van Isaak (Genesis 21:1-3). Eerst had Abraham zich trouw aan God bewezen. Nu bewees God op wonderbaarlijke wijze zijn trouw aan zijn verplichting jegens Abraham.

 

De ultieme beproeving

 

De climax van deze zeven verslagen van Gods beloften staat in Genesis 22. Hier vinden we een van de belangrijkste gebeurtenissen in de Bijbel. Dit is Gods laatste uiteenzetting van zijn belofte aan Abraham.

In dit verslag is Abrahams bereidheid zijn zoon Isaak te offeren een voorafschaduwing van de fundamentele gebeurtenis van Gods plan aan alle mensen behoud aan te bieden: Gods bereidheid zijn enige zoon, Jezus Christus, te offeren (Johannes 3:16-17).

Eerder merkten we op dat Gods beloften afhankelijk waren van Abrahams voortdurende gehoorzaamheid (Genesis 12:1; 17:9). Maar na de gebeurtenissen van Genesis 22 veranderde God zijn verbond met Abraham door het op een hoger niveau te brengen Ė en met reden.

God zei Abraham Isaak, de zoon van de belofte (Romeinen 9:9), te nemen en hem op de berg Moria als een brandoffer te offeren (Genesis 22:2). De ultieme beproeving van Abrahams geloof was aangebroken.

In deze tijd van zijn leven evenwel had Abraham geleerd God onvoorwaardelijk te vertrouwen. Lange tijd had hij Gods wijsheid, waarachtigheid en getrouwheid ervaren. Hij deed als hem was opgedragen om pas op wonderbaarlijke wijze te worden tegengehouden op precies het moment dat hij zijn zoon zou hebben gedood (vers 9-11).

 

Uit dit voorval kunnen wij enkele diepzinnige lessen trekken. In de eerste plaats, dat God nooit Ė in de oudheid noch in de moderne tijd Ė heeft gewenst dat Hij zou worden geŽerd met een mensenoffer.

Ten tweede, God verbood IsraŽl de heidense praktijk eerstgeboren kinderen te offeren aan afgoden. Mensenoffers waren een onderdeel van de Mesopotamische maatschappij waaruit Abraham werd geroepen. Ook de landen om hem heen kenden mensenoffers. God zorgde er echter voor dat zijn trouwe dienstknecht niet daadwerkelijk zijn zoon zou slachten, hoewel Abraham niet van tevoren wist wat God van plan was.

 

In het volgende vers openbaren Gods woorden wat Hij werkelijk over Abraham te weten wilde komen: ,,Nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthoudeníí (vers 12). Met zijn bereidheid de levende God te gehoorzamen had Abraham bewezen dat hij dat wat hem het dierbaarst was, zijn enige erfgenaam, zou opgeven (vers 15; vgl. Johannes 3:16). God wilde Abrahams zoon niet als slachtoffer. Maar Hij wilde wel weten of Abraham hem genoeg zou vertrouwen om de zwaarste beslissing te nemen die God hem voorlegde. Abraham slaagde voor de test.

Ten derde, Abrahams optreden toonde aan dat hij de juiste man was voor de rol van ,,vader van allen die geloveníí (Romeinen 4:11-22; Galaten 3:9; HebreeŽn 11:17-19) Ė dat hij een gepaste grondlegger was van de familie van ontelbare afstammelingen die het volk van God zouden worden (Genesis 18:19).

God kon echter het plan dat Hij door Abraham was begonnen niet voltooien zonder het probleem van de menselijke zonde erin te betrekken. Dit probleem zou later het offer vereisen van de Verlosser van de mensheid: Jezus de Messias, het Lam van God (Johannes 1:29).

 

Gods verplichting onvoorwaardelijk

 

Op dit punt werden Gods beloften aan Abraham Ė de stoffelijke en de geestelijke Ė onvoorwaardelijk. Zijn woorden ,,Ik zweer bij Mijzelfíí (Genesis 22:16) laten zien dat de vervulling van de belofte niet langer van Abraham afhing. De vervulling van de belofte zou voortaan uitsluitend van God zelf afhangen. Hij verplichtte zich onvoorwaardelijk zijn belofte aan Abraham en zijn nakomelingen te vervullen.

God zette zijn eigen trouw en integriteit bij deze verplichtingen op het spel. Hij heeft zich er onvoorwaardelijk toe verbonden al zijn beloften tot in de details te verwezenlijken (zie ,,Houdt God zijn woord?íí, p. 10).

Omdat wij de onvoorwaardelijke aard van Gods beloften begrijpen, hebben we een beter beeld van waar wij op moeten letten bij de loop der geschiedenis van de afstammelingen van het oude IsraŽl. Daar God zijn belofte aan Abraham niet kan opzeggen, omdat Hij zijn woord niet zal schenden (Numeri 23:19), wordt ieder detail in ons zoeken naar de identiteit van de 10 verloren stammen van IsraŽl na hun verbanning een leidraad.

Genesis 22 besluit met het herbevestigen van de centrale elementen van Gods verplichtingen jegens Abraham: ,,[Ik zal] u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemeníí (vers 17). Deze stoffelijke, materiŽle en nationale zegeningen blijven aanwijzingen voor de identiteit van Abrahams hedendaagse afstammelingen.

God vervolgde: ,,En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebtíí (vers 18). Deze zegen zou een tweeledige betekenis blijken te hebben. Door Christus, als het Zaad van Abraham, zou God aan de gehele mensheid behoud ter beschikking stellen (vgl. Galaten 3:16 en Johannes 3:16). Maar ook de hele wereld zou materieel voordeel hebben van de overvloedige fysieke zegeningen die God op Abrahams afstammelingen zou uitstorten. Gods belofte heeft zowel geestelijke als materiŽle aspecten.

 

Vernieuwd aan Isaak

 

God vernieuwde zijn beloften aan Abraham in de navolgende generaties. Hij herbevestigde zijn verbond aan Isaak, de zoon van de patriarch (Genesis 26:1-5), en aan Jakob, zijn kleinzoon (Genesis 27:26-29; 28:1-4, 10-14; 35:9-12).

Door Jakob gaf God de nationale en materiŽle aspecten van zijn beloften door aan de afstammelingen van Abrahams achterachterkleinzoons, EfraÔm en Manasse, de zonen van Jozef (Genesis 48:1-22).

Dat de Bijbel tot in details beschrijft hoe deze beloften van zegeningen van de ene op de andere generatie zullen overgaan is nog een bewijs dat Gods verbond met Abraham, naast de belangrijke messiaanse profetieŽn, tevens fysieke, materiŽle en nationale aspecten bevat.

 

Gods belofte aan Isaak dat Hij hem en zijn nageslacht ,,al die landeníí zou geven (Genesis 26:3-4) omvat grote materiŽle zegeningen. God beloofde ook hem, zoals Hij aan Abraham had gedaan, een bijna onbeperkt aantal nakomelingen, die zich zouden ,,vermenigvuldigen als de sterren des hemelsíí (vers 4).

Op een bepaald niveau zou deze belofte worden vervuld in de tijd dat enkele miljoenen IsraŽliten, onder leiding van Mozes, de berg SinaÔ bereikten en later in de tijd van Salomo (Deuteronomium 1:10; 1 Koningen 4:20-21). Maar Mozes zelf besefte dat de zegeningen van grote menigten vele malen zouden worden vermenigvuldigd boven wat er al in zijn tijd was geweest (Deuteronomium 1:11).

 

Jakob ontvangt geboorterecht en zegen

 

De stoffelijke zegeningen die op Isaak overgingen zouden normaliter overgaan op diens eerstgeborene zoon Ezau (Genesis 25:21-26). Jakob, de jongere van de tweelingbroers, haalde Ezau echter over zijn geboorterecht aan hem te verkopen in ruil voor een maaltijd (vers 29-43).

Wat was het geboorterecht en waarom was het belangrijk? De International Standard Bible Encyclopedia verklaart dat het geboorterecht ,,het recht [was] dat vanzelfsprekend de eerstgeboren zoon toebehoorde ... Zo iemand werd automatisch het hoofd van de familie, daar de lijn door hem zou worden voortgezet. Als eerstgeborene erfde hij een dubbele hoeveelheid van het vaderlijke erfgoed ... De eerstgeborene was verantwoordelijk voor ... het uitoefenen van gezag over het huishouden als geheelíí (1979, Vol. I, ,,Birthrightíí, pp. 515-516).

 

Om de zegeningen van het eerstgeboorterecht van zijn vader te ontvangen nam Jakob zijn toevlucht tot het bedriegen van de blinde en bejaarde Isaak om hem te doen geloven dat hij Ezau was (Genesis 27:18-27). Jakob besefte onvoldoende dat bedrog niet nodig was. God had al voor de geboorte van de tweeling geopenbaard dat Jakob de sterkere van de twee zou zijn en dat Ezau uiteindelijk Jakob zou dienen (Genesis 25:23).

God liet echter toe dat Jakob de belofte van het eerstgeboorterecht ontving om de patriarch van de familie te zijn en het beste van het familie-erfgoed van zijn vader te ontvangen zonder tussenbeide te komen om de omstandigheden te veranderen. Later zou Hij Jakob leren op te houden op zijn eigen bedrieglijke streken te vertrouwen.

 

Let nu op de zegen die Isaak over Jakob uitsprak: ,,God zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. Volken zullen u dienen, natiŽn zich voor u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegendíí (Genesis 27:28-29). Dit waren geen loze woorden. Isaac gaf officieel de ontzagwekkende beloften die God aan Abraham had gedaan door aan Jakob.

Later bevestigde God door een droom aan Jakob dat hij inderdaad de geboorterechtbelofte zou ontvangen. God openbaarde toen aan Jakob dat zijn nageslacht ,,als het stof der aardeíí zou zijn en zich zou uitbreiden, ,,naar het westen, oosten, noorden en zuideníí Ė in alle richtingen vanuit het Midden-Oosten (Genesis 28:12-14).

 

Gezien de enorme omvang van zoín belofte is het geen wonder dat de apostel Paulus later sprak over Jakobís grootvader Abraham als de ,,erfgenaam der wereldíí (Romeinen 4:13). God had duidelijk de bedoeling dat Abrahams afstammelingen uiteindelijk een groot deel van de wereld zouden overheersen. Deze publicatie verklaart hoe deze belofte is vervuld en op een nog grotere wijze nog eens zal worden vervuld.

 

Twee nationale identiteiten

 

In Genesis 35 komen we nog een ander aspect van de geboorterechtbelofte tegen. Hier belooft God aan Jakob dat er ,,een volk, ja een menigte van volkeníí uit hem zouden voortkomen (vers 11). Kennis van dit aspect van IsraŽlís erfgoed is van wezenlijk belang als we de profetieŽn willen begrijpen. De geboorterechtbelofte zou worden vervuld in twee afzonderlijke nationale entiteiten.

 

In Genesis 48 gaf Jakob dit deel van Gods belofte aan Abraham en Isaak door aan Jozefís zonen EfraÔm en Manasse. Tegelijkertijd plaatste Jakob zijn eigen naam op deze twee kleinzoons (vers 16). Bij gevolg slaan veel van de latere verwijzingen naar ,,Jakobíí of ,,IsraŽlíí in de profetische boeken van de Bijbel vooral op deze twee takken van Jakobís afstammelingen.

De zegen van Jakob omvatte land Ė nationaal grondgebied Ė dat de twee kleinzoons zouden beŽrven tot een eeuwig bezit. Zij zouden ook uitgroeien ,,tot een menigte van volkeníí (vers 4). Hier zien we voor de tweede maal de opmerkelijke belofte dat Jakobís nakomelingen Ė meer specifiek zij die uit EfraÔm en Manasse zouden voortkomen Ė zouden uitgroeien tot respectievelijk een menigte van volken en tot ťťn enkel groot volk (vers 19).

 

Niet alle dimensies van de beloften zouden naar Jozef en zijn nakomelingen gaan. Juda zou een belofte ontvangen met een belangrijke geestelijke dimensie. Door Jakob gaf God de profetie dat van Juda de scepter, de heersersstaf, niet zou wijken (Genesis 49:10). Deze profetie wees zowel op de dynastie van IsraŽlís toekomstige koning, David, als op de rol van Jezus, eveneens van de stam Juda en nakomeling van David, als de Messias (Lukas 1:32; HebreeŽn 7:14; Openbaring 5:5). Christus is bestemd op aarde te regeren als Koning der Koningen (Openbaring 11:15; 17:14; 19:16).

De belofte van het eerstgeboorterecht echter, van fysieke, materiŽle en nationale grootheid ging niet naar Juda, maar, met voorbijgaan van Ruben, naar Jozef. Let op de omstandigheden waardoor die belofte in Jozefs handen kwam:

 

,, ... [Ruben] was de eerstgeborene van IsraŽl, maar omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd, was zijn eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van IsraŽl Ė maar deze werd niet in het register als eerstgeborene ingeschreven; wel was Juda de sterkste onder zijn broeders en ťťn uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozefíí (1 Kronieken 5:1-2). Door de belofte van het eerstgeboorterecht zouden Jozefís nakomelingen Ė EfraÔm en Manasse Ė de zegeningen ontvangen van welvaart, macht en nationale voornaamheid.

 

Voor Jozefís nakomelingen

 

De wellicht meest onthullende passage over de geboorterechtbelofte staat evenwel in Genesis 49. Hier zien we Jakob die elk van de nakomelingen ,,in de toekomende [of: laatste] dageníí van zijn zonen zegent en over hen profeteert (vers 1). Let erop dat de zegeningen die Jakob uitspreekt over de afstammelingen van Jozef voor de laatste dagen zeer indrukwekkend zijn.

,,Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit; de boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige Jakobís, daar de Steenrots IsraŽls zijn herder is; door de God uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot. De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef ... íí (Genesis 49:22-26).

 

Deze profetische passage zegt ons dat Jozefs afstammelingen ,,in de laatste dagenĒ zullen leven in een productief, goed bevloeid en vruchtbaar land. Zij zullen een volk zijn dat zijn gebied en invloed sterk heeft uitgebreid Ė politiek, militair, economisch en cultureel Ė een volk ,,waarvan de takken boven de muur uitstijgeníí, ofwel hun natuurlijke grenzen overschrijden. Het zal een volk zijn dat af en toe zal worden aangevallen door andere landen maar in het algemeen zal overwinnen. Hun triomfen zullen soms ,,wonderbaarlijkíí of ,,providentieelíí lijken, omdat de Almachtige God hen bijstaat en hun bron van zegeningen is.

Het zal een volk zijn dat in een land leeft met een buitengewoon gunstig klimaat dat gemakkelijk de gestaag uitbreidende bevolking kan ondersteunen. Zij zullen genieten van de zegen van goede oogsten, grote kudden vee en uitgebreide natuurlijke hulpbronnen zoals hout en waardevolle mineralen in hun bodem.

 

Met andere woorden, wij kunnen verwachten hen aan te treffen in het bezit van uitgelezen zegeningen en natuurlijke hulpbronnen. Elk van deze zegeningen zal van hen zijn ,,in de laatste dageníí (Genesis 49:1).

Waar kunnen wij de afstammelingen van Jozef, de verloren stammen van EfraÔm en Manasse, vinden? Deze lijst zegeningen elimineert de meeste landen van de wereld. Om hen te vinden moeten we ons afvragen: welke landen bezitten deze zegeningen in onze wereld? God beloofde al deze zegeningen aan de nakomelingen van Jozef ,,in de laatste dagenĒ. Aangezien God niet liegt, kunnen we erop vertrouwen dat Hij die beloften heeft gehouden.

 

Wat zegt het bewijsmateriaal ons? Zoals we zullen zien is het bewijsmateriaal overweldigend gunstig voor God. Als wij de beloften en Gods vervulling daarvan geloven, zal onze kijk op de wereld totaal anders zijn dan de zienswijze van hen die niet van deze kennis weten.

In de bijna 3700 jaar sinds God deze beloften gaf, kunnen weinig landen staat maken op zegeningen die zelfs maar in de buurt komen. Nog minder landen kunnen het soort economische status en nationale macht Ė zelfs de status van supermacht Ė opeisen die is beloofd aan Jozefís zonen EfraÔm en Manasse ,,in de laatste dagenĒ.

 

Twee kandidaten komen echter volmaakt tegemoet aan de veeleisende criteria van deze profetieŽn: de Verenigde Staten van Amerika en het Britse Gemenebest van naties. Hoe goed past dit in het bewijsmateriaal dat we vinden? Om deze vraag te beantwoorden beginnen we aan een onderzoek van het historische materiaal van de stammen van IsraŽl vanaf het begin van hun bestaan als natie tot aan onze tijd.

 


Het Nederlandse Supplement van The Good Newsseptember/ oktober 2003


© United Church of God Ė Holland

Bankrekeningnummer: 53.83.60.747 tnv UCG-Holland te Gouda

.


Vraaggratis de volgende brochures aan:

 

 

Via: †††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Of via:

UNITED CHURCH OF GOD††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† onze website:

Postbus 93†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† www.ucg-holland.nl 2800 ABGOUDA