Het
Nederlandse Supplement van

september-october
2003
Deel 1: Gods Beloften
De Tien Verloren Stammen van Isral.
Ver terug in de
geschiedenis rond 732 v.Chr. werden de tien stammen
van Isral uit hun land gedeporteerd en zijn nooit meer teruggekeerd(2 Koningen
17:23;18:11).
Waar zijn deze verloren stammen gebleven? De bijbel spreekt over een eindtijd
waarin deze stammen samen met Juda weer n natie
zullen worden. Ze zij er dus nog! Verder had God aan de nazaten van Abraham,
Isaak en Jacob grote welvaart en macht beloofd. Deze beloften van de grote welvaart en macht
moesten in vervulling gaan! Wat de identiteit van deze tien verloren stammen is en waar zij zich nu bevinden, wordt in deze serie
artikelen behandeld.
Weten wie en waar de
verloren stammen zijn is een Hoofdsleutel tot het begrijpen van alle bijbelse
profetien. Het verklaart waarom zo veel profetien spreken over een komend
herstel van alle stammen van Isral tot n herenigd koninkrijk.
Een van Gods toezeggingen aan Abraham en zijn
nakomelingen was:
,,... en met u zullen alle geslachten des aardbodems
gezegend worden (Genesis 12:3).
Teneinde enkele van de meest verbazingwekkende en inspirerende
profetien van de Bijbel te begrijpen moeten wij een studie ondernemen die
begint met de tijd van 4000 jaar geleden toen God begon te werken met een
zekere Abraham. Abraham leefde in Mesopotami, de wieg
van de beschaving, in de stad Ur, een van de oudste
steden waarvan archeologen resten hebben gevonden.
Abraham was een opmerkelijke
figuur. God deed hem verbazende beloften die nog steeds van invloed zijn op
niet alleen zijn afstammelingen, maar op de hele wereld. Het verhaal van zijn
nakomelingschap is eveneens zeer opmerkelijk. Het beslaat een groot deel van
wat wij kennen als het Oude Testament. Het is een verhaal van grote themas: de
opkomst en ondergang van zowel grote mannen en vrouwen als van koninkrijken en
wereldrijken.
De boeken van het Oude
Testament beschrijven hoe Abrahams nakomelingschap zich zou ontwikkelen tot een
machtige natie het koninkrijk Isral en een bijzonder verbond zou aangaan
met God. Isral, dat uit 12 stammen of familiegroepen bestond, was gedurende
enige tijd inderdaad een zeer machtig land.
Het kleinere, zuidelijke
koninkrijk Juda in hoofdzaak bestaande uit de twee
resterende stammen leerde niet de les van hun noordelijke verwanten. Ook de Juders verwierpen God en werden eveneens in ballingschap gevoerd.
Voor het grootste deel echter behielden zij hun identiteit en zijn door de
geschiedenis heen zichtbaar gebleven als het kleine en vaak vervolgde Joodse
volk.
Om het raadsel te vergroten
zegt de Bijbel herhaaldelijk dat deze naar verluidt verloren Isralieten
bestemd zijn weer in een prominente rol op het wereldtoneel te verschijnen
onmiddellijk na Jezus terugkeer na hun redding uit een ,,tijd van verdrukking
die hun eerdere lijdensweg kan doen verbleken. De oude profeten spreken er
zelfs over dat zij na die tijd van problemen zullen worden hersteld in
hun oorspronkelijke land onder de heerschappij van de Messias.
Let op deze belofte van Jezus
aan zijn apostelen: ,,Voorwaar, Ik zeg u, gij, die
Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer
de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf
tronen zitten om de twaalf stammen van Isral te richten (Matthes
19:28).
Bedoelde Jezus wat Hij zei?
Als deze nakomelingen van Isral bestemd zijn in de toekomst een rol te spelen
die God voor de wereld heeft geprofeteerd, waar bevinden zij zich dan nu? Hoe
kunnen wij hen onder de volken van de hedendaagse wereld identificeren? En
waarom is deze kennis van belang voor ons?
Naarmate we met deze onthullende
studie verder komen, zult u zien hoezeer God is betrokken bij het vormgeven
van belangrijke aspecten van onze wereld. U kunt zich niet veroorloven van
deze kennis niet op de hoogte te zijn.
Als deze informatie over de
verloren stammen alleen historische of archeologische waarde had, zou het
alleen van waarde zijn voor hen die zich voor geschiedenis interesseren. Maar
ze is veel belangrijker.
Het is een hoofdsleutel
tot het begrijpen van alle bijbelse profetien. Het verklaart waarom zo veel
profetien spreken over een komend herstel van alle stammen van Isral
tot n herenigd koninkrijk, en waarom die profetien in de Bijbel zon grote plaats innemen.
Door dit ongelooflijke
verhaal te begrijpen kunt u veel leren over wat God verwacht van allen die Hem
willen dienen. Moge God u het geestelijke inzicht geven dit verbazende verhaal
te begrijpen en de lessen die u zult ontdekken in acht te nemen.
Ons verhaal begint met een
serie opmerkelijke beloften die God duizenden jaren geleden gaf aan een zekere Abram.
,,De Here
nu zeide tot Abram: Ga uit
uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis
naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een
groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot
een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik
vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden
(Genesis 12:1-3).
Zoals we zullen zien is God
altijd trouw aan zijn beloften. Voorbereidingen voor zijn relatie met het oude
Isral begonnen eeuwen voordat het een natie werd. Hij begon zijn plannen voor
Isral als een groep stammen ofwel grote families toen Hij een relatie met Abram aanging. Later veranderde Hij de naam Abram, dat ,,verheven vader betekent, in Abraham,
dat ,,vader van een menigte volken betekent (Genesis
17:5).
Een fantastische toezegging!
Met deze beloften stelde God een ontzagwekkend plan in werking met de bedoeling
,,alle geslachten des aardbodems te zegenen wanneer
ze worden vervuld. De geschiedenis en de profetien van deze van Abraham afstammende
natie zijn belangrijk niet alleen voor zijn eigen volk, maar voor alle volken.
Later gaf God deze beloften
door aan Abrahams zoon Isaak, zijn kleinzoon Jakob
en vervolgens aan Jacobs 12 zonen uit wie de 12 stammen van Isral voortkwamen.
God verschafte latere generaties meer details over zijn doel met Isral en
over hoe Hij zijn grote plan met hen wil verwezenlijken.
Deze toezegging van de
Schepper van de mensheid is de rode draad die door de verschillende onderdelen
van de Bijbel loopt. Ze vergroot de betekenis van en geeft structuur aan de
Bijbel. Zelfs de opdracht van Christus is een voortzetting van deze belofte.
Ongeveer 800 jaar nadat Isral
als natie verdween, beschreef de apostel Paulus de
heidenen (niet-Isralieten) die ,,zonder Christus zijn als ,,uitgesloten
van het burgerrecht Israls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder
hoop en zonder God in de wereld (Efezirs
2:12).
Dit is krachtige taal, maar
het onderstreept het belang van Gods verplichting aan Abraham en bevestigt
dat Paulus wist dat Isral, met inbegrip van de 10 verloren stammen,
nog steeds bestond. Als Paulus uitsluitend over
de Joden, de stam die het zuidelijke koninkrijk uitmaakte, gesproken had,
dan zou hij hebben gesproken over Juda, niet over
Isral (zie ,,Zijn alle Isralieten Joden?, p.
25).
Paulus legde vervolgens Gods bedoeling uit: ,,[Het geheimenis van Christus,] dat ten tijde van vroegere
geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu
door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: dit
geheimenis, dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten
van de belofte in Christus Jezus door het evangelie (Efezirs
3:5-6).
Hoe kunnen alle mensen deel
hebben aan de beloften die God aan Abraham deed door Jezus? Paulus
verklaart: ,,Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham,
en naar de belofte erfgenamen (Galaten 3:29).
Dit betekent dat God allen die
zijn dienstknechten worden moet enten in de familie
van Abraham en dat God heeft zich er door een reeks verbonden toe heeft verplicht
dit te doen (Romeinen 11:13-27).
Gods belofte aan Abraham was
niet beperkt tot een klein volk uit het oude Midden-Oosten. De belofte reikt
ver in de toekomst en is niet tot nationale grenzen beperkt. Vanaf het begin
vormde God deze belofte om aan alle volken zegeningen te brengen. Dat is
zijn doel. Dat zal Hij ook verwezenlijken.
Waarom koos God Abraham uit
om zijn dienstknecht te zijn en door hem het oude
Isral als natie op te richten? Wat stond God voor ogen en waarom riep Hij
Abraham tot zijn dienst in die bepaalde periode van de geschiedenis?
Na de Zondvloed ten tijde van
Noach keerden de mensen God eens te meer de rug toe.
In Abrahams tijd waren alle volken opnieuw corrupt geworden.
U herinnert zich misschien
dat God kort voor de Zondvloed de aarde zag ,,en zie,
zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. Toen zeide God tot Noach: Het einde
van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol
geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen (Genesis 6:12-13). God
spaarde alleen Noach en zijn vrouw en hun drie zonen
en hun vrouwen.
Kort na de Zondvloed, toen de
mensheid zich opnieuw tegen de wegen van God begon te verzetten, werd de Toren
van Babel het symbool van haar opstandigheid (Genesis
11:1-9). In het verband van deze opstandigheid en het oprichten van stadstaten
van menselijke regeringssystemen dat ermee gepaard ging, begon God een nieuwe
fase in zijn plan om alle volken ertoe te leiden Hem te eren. Hij besloot
n getrouwe man uit te kiezen en diens afstammelingen te ontwikkelen
tot een groep invloedrijke naties die werd gekozen met het uitdrukkelijke
doel zijn waarden en levenswijze te onderwijzen en te illustreren.
Een deel van dat plan behelst
Gods wens dat alle volken het grote verschil zullen erkennen tussen die twee
tegengestelde levenswijzen. Hij wil dat iedere persoon leert dat alleen Gods
wegen duurzame zegeningen aan alle volken kunnen brengen.
God schiep alle mensen op aarde
,,uit n enkele [persoon] (Handelingen 17:26).
Het verhaal van de Isralieten is het verhaal van een enkele familie die door
de Schepper-God uit alle volken op aarde werd uitgekozen
om zijn dienst uit te voeren.
Hoewel de Isralieten een uitverkoren
volk waren, waren zij op geen enkele wijze superieur, niet in de Oudheid
en niet nu. De apostel Petrus verklaarde later ,,dat er bij God geen aanneming des persoons
is, maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt,
Hem welgevallig (Handelingen 10:34-35). Dit is altijd zo geweest.
Sommige mensen nemen misschien
aan dat God besloot met Abraham en zijn nakomelingen te werken omdat zij op
een of andere wijze sterker of beter van inborst waren dan andere volken.
Dat is eenvoudig niet het geval. God besloot opzettelijk te werken met een
klein groepje mensen dat geen internationale betekenis had.
Zie wat God tot het oude Isral
zei: ,,Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander
volk, heeft de Here Zich aan u verbonden en u
uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van
alle volken. Maar, omdat de Here u liefhad en de
eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had ... opdat gij
zoudt weten, dat de Here,
uw God, de enige God is, de trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid
houdt jegens wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden (Deuteronomium 7:7-9; vgl. 1 Korinthirs
1:26-29).
God koos Abraham voor een bepaalde
taak. Maar Hij stelde Abraham ook op de proef om te zien of hij trouw aan
Hem zou zijn. Abraham doorstond die testen. God begon hem toen te gebruiken
omdat hij zijn Schepper geloofde en vertrouwde. ,,Want
wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid
gerekend (Romeinen 4:3; vgl. Genesis 15:6).
Abrahams uitgebreide familie
groeide uit tot een nog grotere menigte, de nakomelingen van de 12 zonen van
Jakob. God maakte hen tot een natie en ging een verbondsrelatie
met hen aan. Gezamenlijk werden zij bekend als ,,Isral, ,,de zonen van Isral
of ,,de kinderen Israls.
Isral was een andere naam voor Jakob.
Toen God rechtstreeks met Jakob begon te werken,
noemde Hij hem Isral, wat betekent ,,hij die overwint met God of ,,een vorst met God (Genesis 32:24-30).
Israls afstammelingen werden
ook bekend als ,,het zaad van Abraham, het Huis van Isaak, het Huis van
Jakob, of eenvoudig ,,Jakob en ook bij hun individuele stamnamen: Ruben,
Simeon, Levi, Juda, Zebulon, Issachar, Dan, Gad, Aser, Naphtali, Benjamin en Jozef.
De patriarch Jakob adopteerde later Efram en Manasse, zijn kleinzoons door zijn zoon Jozef, als zijn
eigen zoons met betrekking tot zijn erfenis. Bijgevolg is er historisch gezegd
dat het volk Isral uit ofwel 12 ofwel 13 stammen bestond, afhankelijk van of
de afstammelingen van Jozef als n stam (Jozef) of als twee stammen (Efram en Manasse) werden geteld.
Terwijl God met Abraham werkte,
verruimde Hij de reeks verbondsverplichtingen tussen hen. Deze verplichtingen
werden gebaseerd op de belangrijkste en meest verreikende serie beloften en
profetien die ooit door God aan een mens zijn gegeven. De latere profeten
van Isral, Jezus apostelen en Jezus zelf beschouwden deze beloften als het
fundament van hun werk (Handelingen 3:13, 25).
Lees nog eens wat God aan aartsvader
Abraham zei: ,,Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam
groot maken, en gij zult tot een zegen
zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken,
en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden (Genesis
12:2-3; zie ook Genesis 18:18; 22:18; 26:4; 28:14).
De belangrijkste zegen die
door Abrahams ,,zaad ooit ter beschikking werd
gesteld aan alle volken is, horen we later van de apostelen, de zegen van
eeuwig leven door Jezus Christus (Handelingen 3:25-26; Galaten 3:7-8, 16, 29).
Door zijn moeder Maria werd Jezus geboren als Jood, van de stam Juda, een afstammeling van Abraham (Hebreen 7:14). Zijn
offer opent de deur voor de mensen van alle volken tot een relatie met de God
van Abraham.
Wanneer mensen van wat voor
ras of achtergrond ook in een verbondsrelatie met Christus komen, worden ook
zij Abrahams zaad. Zoals Paulus schreef in Galaten
3:28-29: ,,Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van
mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt
immers n in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus
zijt, dan zijt gij zaad
van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
Aldus is het vanaf het begin
van Gods contact met Abraham in toenemende mate duidelijk dat Gods doel is
behoud ter beschikking te stellen aan alle mensen. De rest van de Bijbel
openbaart veel meer details van hoe God dit plan ten uitvoer zal brengen. De
grondslag ervan vinden we evenwel in het boek Genesis
in de beloften die God aan Abraham gaf.
De Bijbel openbaart vele aspecten
van Gods grote plan voor het behoud van de mensheid. De geestelijke dimensie
van zijn belofte aan Abraham is slechts n deel van het verhaal. Als stoffelijke
wezens functioneren we in een stoffelijke wereld. Daarom bereikt God zijn
geestelijke doeleinden vaak door middel van stoffelijke middelen zoals het
geven of terugnemen van stoffelijke zegeningen volgens het principe van
beloningen voor goed gedrag en bestraffing voor zonde.
Wij moeten bijvoorbeeld
bezien waarom God beloofde Abraham tot een ,,groot
volk te maken (Genesis 12:2). Veel bijbelonderzoekers begrijpen het belang
van deze grote stoffelijke belofte niet. Critici van de Bijbel spotten er
eenvoudig mee omdat zij denken dat het volk Isral nooit is gestegen tot meer
dan een paar onbelangrijke koninkrijkjes aan het oostelijke uiteinde van de
Middellandse Zee. Maar zij vergissen zich. God liegt niet (Titus
1:2). Hij houdt zijn beloften. Wij zullen spoedig zien waarom en hoe
God deze bijzondere belofte van nationale grootheid aan Abraham heeft vervuld.
In deel 2 dat in november
augustus nummer verschijnt, wordt duidelijk gemaakt waarom en hoe God deze
beloften aan Abraham heeft vervuld.
Van Genesis 12 tot en met 22
worden de beloften die God aan Abraham gaf in zeven passages beschreven en
herbevestigd. In het eerste verslag (Genesis 12:1-3) zegt God tot Abraham
zijn huis en familie te verlaten. Dit was de eerste voorwaarde waaraan Abraham
moest voldoen alvorens hij de belofte kon ontvangen.
Toen Abraham bereidwillig gehoorzaamde,
beloofde God hem te zegenen en zijn naam groot te maken. Zijn nageslacht zou
ook groot worden. (Zoals we zullen zien zouden de resultaten van deze belofte
onder s werelds belangrijkste historische ontwikkelingen vallen.)
Enkele verzen later verscheen
God aan Abraham en beloofde het land Kanan aan zijn
afstammelingen (vers 7). Gods beloften omvatten onmiskenbaar materile
aspecten: land en bezittingen.
Genesis 13 verschaft meer details
over de beloften. Na het verslag van Abrahams bereidheid de vruchtbare vlakte
langs de Jordaan aan zijn neef Lot te geven (vers
5-13), beloofde God op zijn beurt het hele land Kanan
voor altijd aan Abraham (vers 14-17), waaruit blijkt dat het tijdelijke
en het eeuwige aspect van zijn beloften nauw samenhangen.
Hoewel Abraham nog steeds
kinderloos was, beloofde God ook dat zijn afstammelingen ,,als het stof der
aarde zouden zijn, ,,zodat, indien iemand het
stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn (vers
16). De onmetelijke reikwijdte van deze belofte de bijna onbegrensde
uitbreiding van Abrahams nakomelingschap moet niet licht worden opgevat.
Zoals we zullen zien, heeft deze enorme implicaties.
Ongeveer een decennium later
verscheen God opnieuw aan Abraham in een visioen. Ofschoon hij nog altijd
geen nakomeling had, beloofde God hem opnieuw een erfgenaam en deze erfgenaam,
zei God, zou zijn ,,lijfelijke zoon zijn (Genesis
15:4).
Een ongelooflijke menigte mensen
zou uit die erfgenaam, Isaak, voortkomen. ,,Toen leidde Hij hem [Abraham]
naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel
en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en
Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn (vers
5). Hoe reageerde Abraham? ,,En hij geloofde
in de Here, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid
(vers 6).
Abrahams overtuiging dat hij
erop kon vertrouwen dat God zijn woord zou houden ook al was het ver in
de toekomst was een van de redenen dat God Abraham liefhad. God koos hem
om niet alleen de vader van verscheidene machtige naties te worden, maar de
vader van alle gelovigen (Romeinen 4:11). God was bezig een tweevoudige rol
voor de getrouwe Abraham te verwezenlijken.
Enkele verzen later beloofde
God hem niet alleen een niet te tellen aantal nakomelingen, maar het hele
gebied ,,van de rivier van Egypte tot de grote rivier,
de rivier de Eufraat (Genesis 15:18). Dit
uitgestrekte gebied besloeg meer land dan het land dat God in zijn
oorspronkelijke belofte van het land Kanan had inbegrepen
(Genesis 12:6-7; 17:8; 24:7).
Toen Abraham zijn geloof verder
bewees, vergrootte God de reikwijdte van zijn beloften aan hem. Uiteindelijk
omvatten ze veel meer dan Hij oorspronkelijk had geopenbaard. Het meest gedetailleerde
verslag van Gods verbazende beloften aan Abraham staat in Genesis 17:
,,Toen Abram
negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben
God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en
wees onberispelijk; Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate
talrijk maken ... Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; en gij zult
niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn
Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. Ik
zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen
zullen uit u voortkomen. Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw
nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot
een God te zijn. Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanan, tot een altoosdurende
bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn (vers 1-8).
Evenals met vroegere
uitspraken van deze belofte was Gods zegen nog altijd voorwaardelijk en
gebaseerd op Abrahams gehoorzaamheid en toewijding aan geestelijke groei. Hier
herinnerde God hem er weer aan door te zeggen: ,,Ik ben God, de Almachtige,
wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk
(vers 1; vgl. Matthes 5:48).
Een belangrijk deel van Gods
belofte was, zoals we eerder zagen, dat Abrahams afstammelingen zich sterk
zouden vermenigvuldigen. Hier benadrukt God deze toekomstige realiteit door de
patriarch een andere naam te geven. Tot nu toe heette hij Abram.
God zei nu tegen hem: ,,Gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat
Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb (Genesis 17:5). Eerder
zeiden we dat Abram ,,verheven vader betekent, maar Abraham
betekent ,,vader van een menigte.
God ging dieper op dit aspect
van zijn belofte in: ,,Ik zal u uitermate
vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen
zullen uit u voortkomen (vers 6; zie ook vers 15-16).
God vervolgde: ,,Ik zal aan u
en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling
vertoeft, het ganse land Kanan, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een
God zijn ... gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun
geslachten (vers 8-9). Het verslag in Genesis 17 bevestigt Gods verplichting
aan Abraham van ,,een eeuwig verbond (vers 7,
13, 19), een bindende overeenkomst die God verplicht het land Kanan voor altijd aan de afstammelingen van de patriarch
te geven (vers 8). Gods verplichting jegens Abraham
was gewichtig en vrstrekkend.
Het zesde verslag van Gods belofte
aan Abraham staat in Genesis 18 in een kader dat onmiddellijk voorafgaat aan
de verwoesting van de van zonde vergeven steden Sodom en Gomorra. Abrahams gasten
engelen met het nieuws van de goddelijke straf die de twee steden zouden
ondergaan herbevestigden aan de 99-jarige Abraham en zijn vrouw, Sara, die 10 jaar jonger was, de ophanden zijnde geboorte
van een zoon (vers 10-14).
Met Gods belofte dat Hij zijn
bedoelingen voor Abraham niet zou verbergen (Genesis 18:17; zie ook Amos 3:7), bevestigden de engelen die de bejaarde patriarch
bezochten de vroegere beloften dat Abraham een grote en machtige natie zou
worden een fysieke, materile en nationale verplichting van onmetelijke
reikwijdte. Zij herbevestigden tevens de messiaanse
belofte dat met hem alle volken der aarde zullen gezegend worden (Genesis
18:18).
De belofte werd indrukwekkend
vervuld toen ongeveer een jaar later Sara beviel van
Isaak (Genesis 21:1-3). Eerst had Abraham zich trouw aan God bewezen. Nu bewees
God op wonderbaarlijke wijze zijn trouw aan zijn verplichting jegens Abraham.
De climax van deze zeven verslagen
van Gods beloften staat in Genesis 22. Hier vinden we een van de belangrijkste
gebeurtenissen in de Bijbel. Dit is Gods laatste uiteenzetting van zijn belofte
aan Abraham.
In dit verslag is Abrahams bereidheid
zijn zoon Isaak te offeren een voorafschaduwing van de fundamentele gebeurtenis
van Gods plan aan alle mensen behoud aan te bieden: Gods bereidheid zijn enige
zoon, Jezus Christus, te offeren (Johannes 3:16-17).
Eerder merkten we op dat Gods
beloften afhankelijk waren van Abrahams voortdurende gehoorzaamheid (Genesis
12:1; 17:9). Maar na de gebeurtenissen van Genesis 22 veranderde God zijn
verbond met Abraham door het op een hoger niveau te brengen en met reden.
God zei Abraham Isaak, de zoon
van de belofte (Romeinen 9:9), te nemen en hem op de berg Moria als een brandoffer te offeren (Genesis 22:2). De ultieme
beproeving van Abrahams geloof was aangebroken.
In deze tijd van zijn leven evenwel had Abraham geleerd God onvoorwaardelijk te
vertrouwen. Lange tijd had hij Gods wijsheid, waarachtigheid en getrouwheid
ervaren. Hij deed als hem was opgedragen om pas op wonderbaarlijke wijze te
worden tegengehouden op precies het moment dat hij zijn zoon zou hebben gedood
(vers 9-11).
Uit dit voorval kunnen wij enkele
diepzinnige lessen trekken. In de eerste plaats, dat God nooit in de oudheid
noch in de moderne tijd heeft gewenst dat Hij zou worden geerd met een
mensenoffer.
Ten tweede, God verbood Isral
de heidense praktijk eerstgeboren kinderen te offeren aan afgoden. Mensenoffers
waren een onderdeel van de Mesopotamische maatschappij waaruit Abraham werd
geroepen. Ook de landen om hem heen kenden mensenoffers. God zorgde er echter
voor dat zijn trouwe dienstknecht niet
daadwerkelijk zijn zoon zou slachten, hoewel Abraham niet van tevoren wist wat
God van plan was.
In het volgende vers openbaren
Gods woorden wat Hij werkelijk over Abraham te weten wilde komen: ,,Nu weet
Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden
(vers 12). Met zijn bereidheid de levende God te gehoorzamen had Abraham bewezen
dat hij dat wat hem het dierbaarst was, zijn enige erfgenaam, zou opgeven
(vers 15; vgl. Johannes 3:16). God wilde Abrahams zoon niet als slachtoffer.
Maar Hij wilde wel weten of Abraham hem genoeg zou vertrouwen om de
zwaarste beslissing te nemen die God hem voorlegde. Abraham slaagde voor de
test.
Ten derde, Abrahams optreden
toonde aan dat hij de juiste man was voor de rol van ,,vader
van allen die geloven (Romeinen 4:11-22; Galaten 3:9; Hebreen 11:17-19)
dat hij een gepaste grondlegger was van de familie van ontelbare afstammelingen
die het volk van God zouden worden (Genesis 18:19).
God kon echter het plan dat
Hij door Abraham was begonnen niet voltooien zonder het probleem van de
menselijke zonde erin te betrekken. Dit probleem zou later het offer vereisen
van de Verlosser van de mensheid: Jezus de Messias, het Lam van God (Johannes
1:29).
Op dit punt werden Gods beloften
aan Abraham de stoffelijke en de geestelijke onvoorwaardelijk. Zijn woorden ,,Ik zweer bij Mijzelf
(Genesis 22:16) laten zien dat de vervulling van de belofte niet langer van
Abraham afhing. De vervulling van de belofte zou voortaan uitsluitend van
God zelf afhangen. Hij verplichtte zich onvoorwaardelijk zijn belofte
aan Abraham en zijn nakomelingen te vervullen.
God zette zijn eigen trouw en
integriteit bij deze verplichtingen op het spel. Hij heeft zich er onvoorwaardelijk
toe verbonden al zijn beloften tot in de details te verwezenlijken
(zie ,,Houdt God zijn woord?, p. 10).
Omdat wij de onvoorwaardelijke
aard van Gods beloften begrijpen, hebben we een beter beeld van waar wij op
moeten letten bij de loop der geschiedenis van de afstammelingen van het oude
Isral. Daar God zijn belofte aan Abraham niet kan
opzeggen, omdat Hij zijn woord niet zal schenden (Numeri 23:19), wordt ieder detail in ons zoeken naar de identiteit
van de 10 verloren stammen van Isral na hun verbanning een leidraad.
Genesis 22 besluit met het herbevestigen
van de centrale elementen van Gods verplichtingen jegens Abraham: ,,[Ik zal] u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht
zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de
oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen
(vers 17). Deze stoffelijke, materile en nationale zegeningen blijven aanwijzingen
voor de identiteit van Abrahams hedendaagse afstammelingen.
God vervolgde: ,,En met uw
nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt (vers 18). Deze zegen zou
een tweeledige betekenis blijken te hebben. Door Christus, als het Zaad van
Abraham, zou God aan de gehele mensheid behoud ter beschikking stellen (vgl.
Galaten 3:16 en Johannes 3:16). Maar ook de hele wereld zou materieel voordeel
hebben van de overvloedige fysieke zegeningen die God op Abrahams
afstammelingen zou uitstorten. Gods belofte heeft zowel geestelijke als materile
aspecten.
God vernieuwde zijn beloften
aan Abraham in de navolgende generaties. Hij herbevestigde zijn verbond aan
Isaak, de zoon van de patriarch (Genesis 26:1-5), en aan Jakob,
zijn kleinzoon (Genesis 27:26-29; 28:1-4, 10-14; 35:9-12).
Door Jakob
gaf God de nationale en materile aspecten van zijn beloften door aan de afstammelingen
van Abrahams achterachterkleinzoons, Efram en Manasse,
de zonen van Jozef (Genesis 48:1-22).
Dat de Bijbel tot in details
beschrijft hoe deze beloften van zegeningen van de ene op de andere generatie
zullen overgaan is nog een bewijs dat Gods verbond met Abraham, naast de
belangrijke messiaanse
profetien, tevens fysieke, materile en nationale aspecten bevat.
Gods belofte aan Isaak dat Hij
hem en zijn nageslacht ,,al die landen zou geven
(Genesis 26:3-4) omvat grote materile zegeningen. God beloofde ook hem, zoals
Hij aan Abraham had gedaan, een bijna onbeperkt aantal nakomelingen, die zich zouden ,,vermenigvuldigen als de sterren des hemels
(vers 4).
Op een bepaald niveau zou
deze belofte worden vervuld in de tijd dat enkele miljoenen Israliten,
onder leiding van Mozes, de berg Sina bereikten en later in de tijd van Salomo
(Deuteronomium 1:10; 1 Koningen 4:20-21). Maar Mozes
zelf besefte dat de zegeningen van grote menigten vele malen zouden worden vermenigvuldigd
boven wat er al in zijn tijd was geweest (Deuteronomium
1:11).
De stoffelijke zegeningen die
op Isaak overgingen zouden normaliter overgaan op diens eerstgeborene zoon
Ezau (Genesis 25:21-26). Jakob,
de jongere van de tweelingbroers, haalde Ezau echter
over zijn geboorterecht aan hem te verkopen in ruil voor een maaltijd (vers
29-43).
Wat was het geboorterecht en
waarom was het belangrijk? De International Standard Bible
Encyclopedia verklaart dat het geboorterecht ,,het recht [was] dat vanzelfsprekend de eerstgeboren zoon
toebehoorde ... Zo iemand werd automatisch het hoofd van de familie, daar de
lijn door hem zou worden voortgezet. Als eerstgeborene erfde hij een dubbele
hoeveelheid van het vaderlijke erfgoed ... De eerstgeborene was
verantwoordelijk voor ... het uitoefenen van gezag over het huishouden als
geheel (1979, Vol. I, ,,Birthright,
pp. 515-516).
Om de zegeningen van het eerstgeboorterecht
van zijn vader te ontvangen nam Jakob zijn toevlucht
tot het bedriegen van de blinde en bejaarde Isaak om hem te doen geloven dat
hij Ezau was (Genesis 27:18-27). Jakob besefte onvoldoende dat bedrog niet nodig was. God had
al voor de geboorte van de tweeling geopenbaard dat Jakob
de sterkere van de twee zou zijn en dat Ezau uiteindelijk
Jakob zou dienen (Genesis 25:23).
God liet echter toe dat Jakob de belofte van het eerstgeboorterecht ontving om de
patriarch van de familie te zijn en het beste van het familie-erfgoed van zijn
vader te ontvangen zonder tussenbeide te komen om de omstandigheden te
veranderen. Later zou Hij Jakob leren op te houden op
zijn eigen bedrieglijke streken te vertrouwen.
Let nu op de zegen die Isaak
over Jakob uitsprak: ,,God
zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde,
en overvloed van koren en most. Volken zullen u dienen, natin zich voor
u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen
uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie
u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend (Genesis 27:28-29).
Dit waren geen loze woorden. Isaac gaf officieel
de ontzagwekkende beloften die God aan Abraham had gedaan door aan Jakob.
Later bevestigde God door een
droom aan Jakob dat hij inderdaad de geboorterechtbelofte
zou ontvangen. God openbaarde toen aan Jakob dat zijn
nageslacht ,,als het stof der aarde zou zijn en zich zou uitbreiden, ,,naar het westen, oosten, noorden en zuiden in alle
richtingen vanuit het Midden-Oosten (Genesis 28:12-14).
Gezien de enorme omvang van zon belofte is het geen wonder dat de apostel Paulus later sprak over Jakobs
grootvader Abraham als de ,,erfgenaam der wereld (Romeinen 4:13). God
had duidelijk de bedoeling dat Abrahams afstammelingen uiteindelijk een groot
deel van de wereld zouden overheersen. Deze publicatie
verklaart hoe deze belofte is vervuld en op een nog grotere wijze nog eens zal
worden vervuld.
In Genesis 35 komen we nog
een ander aspect van de geboorterechtbelofte tegen. Hier belooft God aan Jakob dat er ,,een volk, ja
een menigte van volken uit hem zouden voortkomen (vers 11). Kennis van
dit aspect van Israls erfgoed is van wezenlijk
belang als we de profetien willen begrijpen. De geboorterechtbelofte zou worden
vervuld in twee afzonderlijke nationale entiteiten.
In Genesis 48 gaf Jakob dit deel van Gods belofte aan Abraham en Isaak door
aan Jozefs zonen Efram
en Manasse. Tegelijkertijd plaatste Jakob
zijn eigen naam op deze twee kleinzoons (vers 16). Bij gevolg slaan
veel van de latere verwijzingen naar ,,Jakob of
,,Isral in de profetische boeken van de Bijbel vooral op
deze twee takken van Jakobs afstammelingen.
De zegen van Jakob omvatte land nationaal grondgebied
dat de twee kleinzoons zouden berven tot een eeuwig
bezit. Zij zouden ook uitgroeien ,,tot een menigte
van volken (vers 4). Hier zien we voor de tweede maal de opmerkelijke belofte
dat Jakobs nakomelingen meer specifiek zij die uit
Efram en Manasse zouden
voortkomen zouden uitgroeien tot respectievelijk een
menigte van volken en tot n enkel groot volk (vers 19).
Niet alle dimensies van de beloften
zouden naar Jozef en zijn nakomelingen gaan. Juda
zou een belofte ontvangen met een belangrijke geestelijke dimensie. Door Jakob gaf God de profetie dat van Juda
de scepter, de heersersstaf, niet zou wijken (Genesis 49:10). Deze profetie
wees zowel op de dynastie van Israls toekomstige
koning, David, als op de rol van Jezus, eveneens van de stam Juda en nakomeling van David, als de Messias (Lukas 1:32; Hebreen 7:14; Openbaring 5:5). Christus is bestemd
op aarde te regeren als Koning der Koningen (Openbaring 11:15; 17:14; 19:16).
De belofte van het
eerstgeboorterecht echter, van fysieke, materile en nationale grootheid
ging niet naar Juda, maar, met voorbijgaan van Ruben,
naar Jozef. Let op de omstandigheden waardoor die belofte in Jozefs handen
kwam:
,, ... [Ruben] was de eerstgeborene
van Isral, maar omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd, was zijn
eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van Isral maar
deze werd niet in het register als eerstgeborene ingeschreven; wel was Juda de sterkste onder zijn broeders en n uit hem werd
tot vorst, maar het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozef (1 Kronieken
5:1-2). Door de belofte van het eerstgeboorterecht zouden Jozefs nakomelingen Efram en Manasse de zegeningen ontvangen van welvaart, macht en
nationale voornaamheid.
De wellicht meest onthullende
passage over de geboorterechtbelofte staat evenwel
in Genesis 49. Hier zien we Jakob die elk van de
nakomelingen ,,in de toekomende [of: laatste] dagen
van zijn zonen zegent en over hen profeteert (vers 1). Let erop dat de zegeningen
die Jakob uitspreekt over de afstammelingen van
Jozef voor de laatste dagen zeer indrukwekkend zijn.
,,Een jonge vruchtboom is
Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur
uit; de boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend,
maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de
handen van de Machtige Jakobs, daar de Steenrots
Israls zijn herder is; door de God uws vaders, die u
zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen
met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed, die
beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot. De zegeningen
van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het
kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef ...
(Genesis 49:22-26).
Deze profetische passage zegt
ons dat Jozefs afstammelingen ,,in de laatste dagen
zullen leven in een productief, goed bevloeid en vruchtbaar land. Zij zullen
een volk zijn dat zijn gebied en invloed sterk heeft uitgebreid politiek,
militair, economisch en cultureel een volk ,,waarvan de takken boven de
muur uitstijgen, ofwel hun natuurlijke grenzen overschrijden. Het
zal een volk zijn dat af en toe zal worden aangevallen door andere landen
maar in het algemeen zal overwinnen. Hun triomfen zullen soms ,,wonderbaarlijk
of ,,providentieel lijken, omdat de Almachtige
God hen bijstaat en hun bron van zegeningen is.
Het zal een volk zijn dat in
een land leeft met een buitengewoon gunstig klimaat dat gemakkelijk de gestaag
uitbreidende bevolking kan ondersteunen. Zij zullen genieten van de zegen van
goede oogsten, grote kudden vee en uitgebreide natuurlijke hulpbronnen zoals
hout en waardevolle mineralen in hun bodem.
Met andere
woorden, wij kunnen verwachten hen aan te treffen in het bezit van uitgelezen
zegeningen en natuurlijke hulpbronnen. Elk van deze zegeningen zal van hen zijn ,,in
de laatste dagen (Genesis 49:1).
Waar kunnen wij de
afstammelingen van Jozef, de verloren stammen van Efram
en Manasse, vinden? Deze lijst zegeningen elimineert
de meeste landen van de wereld. Om hen te vinden moeten we ons afvragen: welke
landen bezitten deze zegeningen in onze wereld? God beloofde al deze zegeningen
aan de nakomelingen van Jozef ,,in de laatste dagen.
Aangezien God niet liegt, kunnen we erop vertrouwen dat Hij die beloften heeft
gehouden.
Wat zegt het bewijsmateriaal
ons? Zoals we zullen zien is het bewijsmateriaal overweldigend gunstig voor
God. Als wij de beloften en Gods vervulling daarvan geloven, zal onze kijk
op de wereld totaal anders zijn dan de zienswijze van hen die niet van deze
kennis weten.
In de bijna 3700 jaar sinds
God deze beloften gaf, kunnen weinig landen staat maken op zegeningen die zelfs
maar in de buurt komen. Nog minder landen kunnen het
soort economische status en nationale macht zelfs de status van supermacht
opeisen die is beloofd aan Jozefs zonen Efram en Manasse ,,in de laatste
dagen.
Twee kandidaten komen echter
volmaakt tegemoet aan de veeleisende criteria van deze profetien: de Verenigde
Staten van Amerika en het Britse Gemenebest van naties. Hoe goed past dit in
het bewijsmateriaal dat we vinden? Om deze vraag te beantwoorden beginnen we
aan een onderzoek van het historische materiaal van de stammen van Isral vanaf
het begin van hun bestaan als natie tot aan onze tijd.
Het Nederlandse Supplement van The Good News september/ oktober 2003
.
Vraag gratis de volgende brochures aan:
Via: Of
via:
UNITED CHURCH OF GOD onze website:
Postbus
93 www.ucg-holland.nl 2800
AB GOUDA