Het Nederlandse Supplement van

 

 

 

†††††††††††††††††††††††††††††††††††††† jan/feb 2004

Deel 3: Van intocht tot Deportatie

De Tien Verloren Stammen

van IsraŽl

 

Ver terug in de geschiedenis rond 732 v.Chr. werden de tien stammen van IsraŽl uit hun land gedeporteerd en zijn nooit meer teruggekeerd (2 Koningen 17:23;18:11).
Waar zijn deze verloren stammen gebleven? De bijbel spreekt over een eindtijd waarin de verloren stammen van IsraŽl samen met Juda (het Joodse volk) weer ťťn natie zullen worden. Ze zijn er dus nog! De beloften van de grote welvaart en macht aan de nazaten van Abraham, Isaak en Jacob zijn in vervulling gegaan! De identiteit van deze tien verloren stammen kan worden achterhaald via vervulde beloften!


1

 

Het verbond waardoor het oude IsraŽl "het volk Gods" zou worden (Richteren 20:2) werd gesloten bij de berg SinaÔ, kort nadat de IsraŽlieten uit de Egyptische slavernij waren bevrijd. Godís verbond met het volk was gebaseerd op zijn beloften aan en zijn verbond met Abraham (Exodus 2:23-24; 33:1). Daarin legde God de relatie vast die Hij wenste met Jakobís nakomelingen, nu de nog jonge natie IsraŽl op weg naar het Beloofde Land.

God gaf hun dezelfde gelegenheid in te stemmen onberispelijk te leven die Hij aan Abraham had gegeven. Hij herinnerde hen er telkens aan: ,,Want Ik ben de Here, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heiligíí (Leviticus 11:45). De werkzaamheid van de relatie hing af van hun voortdurende aandacht voor het leven en zich gedragen als een heilig Ė d.w.z. apart gezet Ė volk.

Destijds was hun vooruitzicht zonder hulp van God te overleven somber. God had hen kort tevoren bevrijd uit de wrede slavernij in Egypte. Zij hadden geen eigen land en geen enkel ander land was geneigd hen als ingezetenen te accepteren. Zij bevonden zich in een niemandsland, in een harde en onbarmhartige omgeving.

Vanaf de berg SinaÔ sprak Hij tot hen en openbaarde Hij hun zijn Tien Geboden, zijn fundamentele definitie van heiligheid. De Geboden vormden, samen met de instellingen en oordelen die God aan Mozes openbaarde, ,,het Boek van het Verbondíí. Mozes nam ,,het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horeníí (Exodus 24:7; vers 3).

De IsraŽlieten waren bang te dicht bij God te komen. Zij vertrouwden Hem niet. Zij misten het geloof van Abraham. Zij zeiden tegen Mozes: ,,Nader gij en hoor alles wat de Here, onze God, zegt, en breng gij dan alles aan ons over wat de Here, onze God, tot u spreekt; dan zullen wij het horen en doeníí (Deuteronomium 5: 27). Zij waren niet klaar voor een waarlijk nauwe, persoonlijke relatie met God.

Niettemin hield God zijn belofte aan Abraham en gaf het land van de belofte aan hun kinderen onder het leiderschap van Jozua. ,,IsraŽl diende de Here al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die Jozua overleefd hebben, en die al de daden gekend hadden, welke de Here voor IsraŽl verricht hadíí (Jozua 24:31).

 

IsraŽl een koninkrijk

 

In de volgende paar honderd jaar zond God profeten en rechters om het volk te leiden, hen te onderwijzen en de geschillen onder hen op te lossen. Maar vaak keerden zij Hem de rug toe (Psalm 78:56-57). Zij schoten tekort in het naleven van hun verplichting een heilig volk te zijn. De Bijbel vat het tijdperk van de rechters als volgt samen: ,,In die dagen was er geen koning in IsraŽl; ieder deed wat goed was in zijn ogeníí (Richteren 21:25).

Gedurende dat tijdperk en later verhoorde God in tijden van crisis wel hun gebeden en leverde hun strijd wanneer zij Hem om genade smeekten (Psalm 106:39-45). ,,Maar de Here was hun genadig, erbarmde Zich over hen, en keerde Zich weer tot hen ter wille van zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob; Hij wilde hen niet verdelgen en had hen nog niet van voor zijn aangezicht verworpeníí (2 Kon. 13:23).

Ten slotte vroeg IsraŽl de profeet Samuel om een koning.

,,Daarom kwamen alle oudsten van IsraŽl bijeen ... en zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken. Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan SamuŽl, en hij bad tot de Here. De Here zeide tot SamuŽl: Luister naar het volk in alles wat zij tot u zeggen, want niet ķ hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn ... Nu dan, luister naar hen, maar waarschuw hen ernstig en zeg hun aan, hoe het optreden zal zijn van de koning die over hen regeren zalíí (1 Samuel 8:4-9).

 

God willigde hun verzoek in en gaf Samuel opdracht Saul Ė klaarblijkelijk een van de uiterlijk meest indrukwekkende mannen in IsraŽl Ė tot koning te zalven (1 Samuel 10:17-24). God was bereid met IsraŽlís koning samen te werken en hem te steunen als deze zich rechtvaardig zou gedragen. Saul echter werd arrogant, koppig en eigenwijs. Fysiek leek hij alles wat het volk kon wensen van een koning, maar zijn hart was niet eerlijk voor God. Daarom besloot God hem te vervangen.

Meer dan 1000 jaar later verklaarde Paulus: ,,En nadat Hij deze [Saul] verworpen had, verwekte Hij hun David als koning, wie Hij ook dit getuigenis gaf: Ik heb David, de zoon van IsaÔ, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn bevelen zal volbrengen. Uit zijn geslacht heeft God naar de belofte voor IsraŽl de Heiland Jezus doen komeníí (Handelingen 13:22-23).

 

David erfde als koning een groot en doeltreffend leger. Ongeveer 350.000 gewapende militairen uit alle stammen van IsraŽl woonden zijn kroningsplechtigheid bij (1 Kronieken 12:23-40). Spoedig daarna begon hij onvriendelijke buurlanden die IsraŽl jarenlang hadden lastig gevallen te onderwerpen.

David regeerde in totaal 40 jaar, waarvan 33 jaar vanuit Jeruzalem, de stad die hij op de Jebusieten had veroverd en tot IsraŽls hoofdstad had gemaakt. Zijn bewind betekende IsraŽlís opkomst als militaire en economische grootmacht in het Midden-Oosten. David overwon de allianties van zijn vijandige buurlanden. ,,En David nam steeds toe in grootheid, en de Here der heerscharen was met hemíí (1 Kronieken 11:9).

Davidís succes kwam van God. Hij werd de machtigste heerser in het Midden-Oosten van zijn tijd. Toch bouwde hij geen monumenten ter ere van zichzelf zoals de gewoonte was van nagenoeg alle andere koningen in de oudheid. Omdat zijn daden alleen in de Bijbel staan opgetekend weigeren de meeste historici de macht van IsraŽl onder David en zijn zoon en opvolger Salomo te erkennen.

 

Salomo erft het rijk

 

Koning Salomo erfde van zijn vader David een uitgestrekt, machtig en welvarend rijk. "Want hij [Salomo] heerste over alles aan deze zijde van de Rivier [de Eufraat], van Tifsach [Dibseh in noord-SyriŽ] tot Gaza, over alle koningen aan deze zijde van de Rivier en hij had vrede rondom aan alle zijden" (1 Kon. 4:24).

In die tijd waren Juda en IsraŽl ,,talrijk als het zand aan de zee in menigte; zij aten en dronken waren blijde. En Salomo was heerser over al de koninkrijken van de Rivier af tot het land der Filistijnen, tot de grens van Egypte; zij brachten geschenken en dienden Salomo, zijn leven langíí (vers 20-21).

 

Salomoís corrupte daden

 

Niet alleen verbood God een koning van IsraŽl met heidense vrouwen te huwen, maar Hij verbood specifiek ook ,,vele vrouwen [te] nemeníí, zoals onder de heidense machthebbers de gewoonte was (Deut.17:17). Salomo maakte deze fatale fout.

,,Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief, Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonitische en Hethititsche, behorende tot de volken, van wie de Here tot de IsraŽlieten had gezegd: Gij zult u niet met hen inlaten, en zij zullen zich niet met u inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aaníí (1 Kon. 11:1-13).

,,Het geschiedde namelijk, toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden ... Zo liep Salomo Astarte, de godin der SidoniŽrs, achterna, en Milkom, de gruwel der Ammonieten ... Toentertijd bouwde Salomo een hoogte voor Kemos, de gruwel van Moab ... en voor Moloch, de gruwel der Ammonieten. Hetzelfde deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die reukoffers en slachtoffers aan haar goden brachten.,,Derhalve werd de Here vertoornd op Salomo, omdat zijn hart zich afgewend had van de Here, de God van IsraŽl, die hem tweemaal verschenen was ... Toen zeide de Here tot Salomo: Omdat het zo met u gesteld is, dat gij mijn verbond en mijn inzettingen, die Ik u geboden had, niet in acht genomen hebt, zal Ik voorzeker het koninkrijk van u afscheuren en het uw knecht geven.,,Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, ter wille van uw vader David; uit de hand van uw zoon zal Ik het afscheuren. Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren, ťťn stam zal Ik aan uw zoon geven ter wille van mijn knecht David en ter wille van Jeruzalem, dat Ik verkoren heb".

 

IsraŽl verdeeld

 

God was trouw aan zijn woord. Tegen de tijd dat Salomo stierf, omstreeks 928 v. Chr., waren de stammen van het noordelijke deel van het land ontevreden over de zware belastingen en gedwongen arbeid die Salomo had opgelegd (1 Kon. 4:7, 22, 26-28; 5:13, 15). Toen zijn zoon Rehabeam op de troon kwam, verzochten de noordelijke stammen lastenverlichting.

Rehabeam vroeg zijn adviseurs om raad. De ouderen stelden voor dat hij positief zou reageren op het verzoek de belastingen te verlichten. De jongere adviseurs echter zeiden dat Rehabeam als een absolute monarch over zijn koninkrijk strenge controle moest opleggen, dat hij zelfs nog zwaardere belastingen moest eisen. Rehabeam was zo onverstandig het advies van de jongere generatie te volgen.

Het resultaat was voorspelbaar. De noordelijke 10 stammen scheidden zich af en installeerden Jerobeam, een voormalige hoge ambtenaar van Salomo, als koning, precies zoals de profeet Ahia jaren eerder had voorzegd (1 Kon. 11:28-40; 12:20). Alleen de stammen Juda en Benjamin bleven het huis van David trouw.

Rehabeamís eerste reactie was de noordelijke stammen binnen te vallen met een leger van 180.000 man om hun een lesje te leren (1 Kon. 12:21). Maar God zond dit woord aan Judaís leiderschap: ,,Zo zegt de Here: gij zult niet optrekken tegen uw broeders, de IsraŽlieten. Keert terug, ieder naar zijn huis, want door Mij is deze zaak geschied. Toen luisterden zij naar het woord des Heren en begaven zich volgens het woord des Heren op de terugwegíí (vers 24). Zij bliezen de invasie af. Het tijdperk van een verdeeld koninkrijk brak aan.


Jerobeam


Toen God voor het eerst de profeet Ahia naar Jerobeam zond om hem te informeren dat hij koning van de noordelijke stammen zou worden, bood Hij Jerobeam zijn zegeningen en de belofte van een onafgebroken dynastie aan. ,,Maar u zal Ik nemen, opdat gij heerst over alles wat gij begeert, en koning zijt over IsraŽl. En het zal geschieden, indien gij hoort naar alles wat Ik u gebied, in mijn wegen wandelt, en doet wat recht is in mijn ogen door mijn inzettingen en geboden in acht te nemen, zoals mijn knecht David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn, en u een duurzaam huis zal bouwen, zoals ik voor David gebouwd heb, en Ik zal u Israel geveníí

(1 Kon. 11:37-38).

Met Godís hulp had Jerobeam het deel van het rijk dat God hem gaf kunnen behouden. Maar hij vertrouwde op wat hij zag, niet op God.

 

Religieuze veranderingen

 

Bang dat het volk tijdens de feestdagen in Jeruzalem terug naar Rechabeam zouden keren, richtte Jerobeam een concurrerend godsdienstig stelsel op. Om politieke redenen Ė om zijn greep op de noordelijke stammen te behouden Ė veranderde hij de vormen waarmee IsraŽl God eerde. Tijdens de laatste dagen van Salomo was afgodendienst al populair geworden en daarom richtte Jerobeam zijn eigen afgoden op. ,,Toen overlegde de koning en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o IsraŽl, die u uit het land Egypte hebben geleid. Hij stelde het ene op te Betel en het andere plaatste hij te Daníí (1 Kon. 12:28-29).

Omdat hij meende dat de viering van dezelfde jaarlijkse feesten als de Joden Ė de heilige dagen van God (Leviticus 23) Ė een verlangen naar nationale eenheid zou opwekken, veranderde Jerobeam tevens de tijd van het grote najaarsfeest (Leviticus 23:23-44) van de zevende naar de achtste maand (1 Kon. 12:32-33).

Hij ontsloeg de Ašronische en Levitische priesters (vers 31; 1 Kon. 13:33), mannen die op Gods eigen bevel apart waren gezet (Exodus 40:15) om de integriteit van het nationale godsdienstige leven te handhaven. Door de Levitische priesters weg te sturen vestigde Jerobeam een monarchale controle over het godsdienstige leven van het land. Bijgevolg trokken veel Levieten naar Juda, waar zij hun aan God gewijde functies konden blijven vervullen (2 Kronieken 11:13-15).

In de plaats van de Levieten riep Jerobeam een nieuwe priesterklasse in het leven, gevormd uit de laagste en minst ervaren lagen van de bevolking

(1 Kon. 12:31; 13:33), mannen die alles wat zij hadden en waren aan de koning hadden te danken. Deze mensen zouden tegemoet moeten komen aan de koninklijke voorkeuren om hun positie te behouden.

 

Einde koninkrijk IsraŽls

 

Op dit punt, ruim 200 jaar voordat de AssyriŽrs de noordelijke 10 stammen veroverden, werden zij het afzonderlijke koninkrijk of huis IsraŽl. De zuidelijke stammen Juda, Benjamin en een deel van de stam Levi zouden bekend worden als het koninkrijk of huis Juda. De belofte van de scepter van een God gewijde koning bleef bij de stam Juda.

De noordelijke stammen behielden de naam Jakob of IsraŽl. Voor hen bleef de belofte van het eerstgeboorterecht van nationale grootheid, welvaart en rijkdom. Naar hen gingen, door het geboorterecht, de fysieke zegeningen en het nationale aanzien die God aan Jozef had beloofd.

Vanaf deze gedenkwaardige splitsing van IsraŽl en Juda geeft de Bijbel een verslag van een 200-jarige ontwikkeling van 10 dynastieŽn, met niet minder dan 19 koningen, die over het noordelijke koninkrijk regeerden.

God had geduld met IsraŽl en gaf het volk volop de gelegenheid zich te bekeren. Maar in de loop van de volgende twee eeuwen namen de zonden van het huis IsraŽl en zijn koningen toe. De IsraŽlieten dreven steeds verder af van het verbond met hun Schepper dat zij zelf ten tijde van Mozes hadden gesloten. God trok zijn zegen en bescherming in stadia terug. ,,In die dagen begon de Here IsraŽl te besnoeien, want HazaŽl [de koning van Aram (SyriŽ)] sloeg hen in het gehele gebied van IsraŽl oostelijk van de Jordaan: het gehele land van Gilead, de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, van AroŽr aan de beek Arnon, zowel Gilead als Basaníí (2 Kon. 10:32-33).

In de 8e eeuw v. Chr. gingen Godís profeten nog door de IsraŽlieten te waarschuwen dat zij, evenals de andere koninkrijken in het gebied, het slachtoffer zouden worden van een nieuwe en sterke militaire macht. De westwaartse expansie van AssyriŽ begon al spoedig het bestaan van het koninkrijk IsraŽl ernstig te bedreigen.

Midden in hun eigen binnenlandse problemen moesten de leiders van IsraŽl de bemoeienis van AssyriŽ met hun zaken onder ogen zien. In de tijd van AssyriŽís Tiglat-Pileser III moest IsraŽlís koning Menachem (ca. 748-738 v. Chr.) enorme schattingen betalen om de Assyrische monarch ertoe te bewegen hem en zijn volk met rust te laten (2 Kon. 15:19-20).

Enkele jaren later kwam koning Peka (ca. 736-730 v. Chr.)tegen AssyriŽ in opstand, alleen maar om te worden gedwongen zich over te geven en een reusachtig losgeld te betalen om zijn troon te behouden (2 Kon. 15:19-20).

Volgens de Assyrische buitenlandse politiek zouden degenen die een tweede maal in opstand kwamen hun politieke macht verspelen en worden vervangen door een vazalkoning op wiens loyaliteit de Assyrische regering wel kon rekenen.

Een tweede opstand zou tevens de deportatie van grote aantallen mensen teweegbrengen. Onder vreemdelingen wier taal zij niet verstonden (Jeremia 5:15) en bestaan totdat inwier land en cultuur hun onbekend waren, zouden de gedeporteerden weinig hoop hebben op een succesvolle opstand tegen hun meesters.

Tiglat-Pileser begon met deze stappen tegen het noordelijke koninkrijk als antwoord op het verbond van koning Peka met Damascus, zijn tweede poging in opstand te komen (ca. 734 v. Chr.). De eerste deportatie van IsraŽlieten (ca. 734-732 v. Chr.), soms de Galilese ballingschap genoemd, bracht een deel van de bevolking Ė hoofdzakelijk uit de stammen Naftali, Ruben, Gad en het deel van Manasse dat ten oosten van de rivier de Jordaan woonde Ė naar het noorden van SyriŽ en het noorden en noordwesten van MesopotamiŽ (2 Kon. 15:27-29; 1 Kron 5:26).

Als een volk voor de derde keer zou rebelleren was het officiŽle Assyrische antwoord kort en krachtig: dat volk zou ophouden te bestaan. Het Assyrische leger zou nagenoeg de hele bevolking met geweld in ballingschap drijven. De AssyriŽrs verspreidden de ballingen door hun hele rijk en herbevolkten de leeggekomen gebieden met mensen uit andere verre gebieden. Eenmaal uit hun eigen land verwijderd en hun land door anderen bevolkt zouden de verspreide ballingen weinig middelen of motivatie meer hebben om nog eens tegen de Assyrische heerschappij in opstand te komen.

 

Een pro-Assyrische, maar onbetrouwbare IsraŽlitische vazal, koning Hosea (ca. 731-722 v. Chr.) bracht de gebeurtenissen op gang die de ontbinding van het noordelijke koninkrijk veroorzaakten. In de hoop op belangrijke steun van Egypte in het zuiden verraadde Hosea omstreeks 724 v. Chr. het Assyrische vertrouwen
(2 Kon. 18:9-10).

Salmaneser V reageerde met een beleg (ca. 724-722 v. Chr.) dat ten slotte de val van IsraŽlís hoofdstad Samaria tot gevolg had. Op dat punt hield het noordelijke koninkrijk op te bestaan als politieke entiteit.

De geschiedenis bevat een naschrift op de val van Samaria in 722 v. Chr. Na met succes IsraŽlís Beloofde Land te zijn binnengevallen door de overwinning op het noordelijke koninkrijk, keerden de AssyriŽrs spoedig terug om het zuidelijke koninkrijk Juda aan te vallen. Binnen tien jaar kwam het Assyrische leger terug en veroverde bijna alle versterkte steden van Juda (2 Kon. 18:9, 13-14). Jeruzalem echter viel in deze invasie niet en het koninkrijk herstelde voldoende om nog 135 jaar te blijven587 v. Chr. de Babylonische legers Jeruzalem veroverden en verwoestten.

 

Ballingen uit zicht

 

Met de vernietiging van het noordelijke koninkrijk als politieke entiteit werden de inwoners ervan verdeeld en verspreid aan de overkant van de rivier de Eufraat in de oostelijke gebieden van AssyriŽ. God vervulde nu zijn belofte: ,,Ik schud het huis van IsraŽl onder al de volkeníí (Amos 9:9). Nu zouden de IsraŽlieten ervaren wat het was te leven onder de heerschappij van de andere naties met wie zij zo graag wilden wedijveren.

God had hen gewaarschuwd: ,,De Here zal u verstrooien onder alle natiŽn van het ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen. Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool; de Here zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel. Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren; des nachts en des daags zult gij opschrikken en van uw leven niet zeker zijn"
(Deut. 28:64-66).

In die tijd verdwenen zij als het volk IsraŽl uit de geschiedenis. De IsraŽlieten waren al begonnen ,,andere goden te dieneníí en hadden de godsdienstige praktijken verlaten die hen duidelijk van andere volken onderscheidden. Een van de dingen die zij hadden losgelaten was de zevendedagssabbat. God had de sabbat verklaard tot ,,een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslachtíí (Exodus 31:13; 16-17; vgl. EzechiŽl 20:12, 20).

Als ťťn van van de grote massa ontheemde volken die door de AssyriŽrs waren verbannen bezaten zij niet langer de uiterlijke kenmerken die hen gemakkelijk van de volken om hen heen hadden onderscheiden.
Hun duidelijke identificerende tekenen verdwenen snel. Maar onder de stammen zouden bepaalde trekken van hun identiteit en cultuur niet zo makkelijk verdwijnen.

Hoe kunnen wij hen dan vinden?
Wij moeten daartoe kijken naar het algemene gebied waarnaar zij werden verbannen en zien of er in dat gebied

lotseling een volk verscheen dat karaktereigenschappen had die met de vluchtelingen van IsraŽl uit het noordelijke koninkrijk in verband kunnen worden gebracht.

Wat wij dan vinden is een verbazingwekkend verhaal, dat vele eeuwen beslaat, van God die de ontheemde IsraŽlieten leidt naar het gebied ver ten noorden en westen van hun eigen land dat Hij de profeten had voorzegd.

 

In deel 4 worden de omzwervingen van deze stammem gevolgd tot het ontstaan van de twee machtigste en rijkste naties van onze tijd.

 

© United Church of God Ė Holland: Adres: Postbus 93, 2800 AB Gouda. Tel/fax: 084-8704080

Web:www.ucg-holland.nl. Email: info@ucg-holland.nl. Bankrekeningnummer: 53.83.60.747 tnv UCG-Holland te Gouda

Het Nederlandse Supplement van The Good Newjanuari/februari 2004†††††††††††††