Het Nederlandse Supplement van

4

Augustus / Juli 2011

Geldt het Onderscheid Tussen Rein en Onrein Vlees Ook Nu Nog Voor Ons?

De Bijbel verklaart sommige vlees- en vissoorten, waaronder varkensvlees en schaaldieren, “onrein”, hetgeen betekent dat zij niet bestemd zijn om als voedsel te worden geconsumeerd (Leviticus 11:4-44). Gelden deze wetten eigenlijk ook voor ons, christenen, in deze tijd? Of zijn ze soms afgeschaft door de discipelen van Jezus? Of misschien door Jezus Zelf? In dit supplement wordt de achtergrond van de voedselwetten nader bekeken en ook wordt antwoord gegeven op de vraag of wij, christenen, tegenwoordig de voedselwetten nog dienen na te leven.

De achtergrond van de door God ingestelde voedselwetten is niet slechts dat God gehoorzaamheid van ons verlangt door Zijn geboden en instellingen, waaronder de door Hem gegeven voedselwetten, te onderhouden.
De voedselwetten hebben ook een gezondheidsaspect in zich. Verderop in dit supplement zullen we zien dat het belangrijkste aspect van deze voedselwetten de levensheiliging is.

Gezondheidsaspect
Het lijkt zeer waarschijnlijk dat God deze wetten heeft gegeven, omdat de beschreven onreine vleesen vissoorten eenvoudigweg slecht voor ons zijn, ongeschikt voor menselijke consumptie. Een van de eerste vleessoorten die wordt geadviseerd niet meer te eten bij een te hoog cholesterolgehalte is varkensvlees. Verder toont wetenschappelijk onderzoek aan dat het vlees van onreine dieren gevaarlijke besmettingen op mensen kunnen overbrengen.
Vlees van varkens kan namelijk lintwormen bevatten (hoewel lintwormen ook voorkomen bij bijvoorbeeld runderen, doch dan in de minder gevaarlijke vorm). Het gevaar zit in de eitjes van de gewapende lintworm uit varkens; deze eitjes verspreiden zich door het lichaam en kunnen bij herhaalde besmetting de dood tot gevolg hebben na verloop van zo?n 10 tot 20 jaar. Ook kleine wormpjes zoals trichinen kunnen via het vlees van varkens het menselijk lichaam binnen komen.

Trichinen zijn bij herhaalde besmetting ook zeer gevaarlijk en kunnen eveneens tot de dood leiden. In onze tegenwoordige tijd zijn deze gevaren min of meer „overwonnen? door een nauwgezette controle op de slachtdieren en het feit dat men zich meer en meer bewust is van het belang om vlees goed te koken of braden. Dit zijn slechts enkele voorbeelden, waaruit blijkt dat God ook uit bescherming van de fysieke gezondheid van Zijn volk deze wetten heeft gegeven. In de tijd van het oude volk Israël was deze kennis eenvoudigweg niet voorhanden. In het boek “Moderne Wetenschap in de Bijbel” door Drs. Ben Hobrink wordt een uitgebreidere wetenschappelijke uitleg van de vermoedelijke achtergrond van de voedselwetten gegeven.
De omvang van dit supplement staat helaas niet toe om hierop nader in te gaan, maar voor een uitgebreide uitleg over dit onderwerp en een lijst met dieren die de Bijbel rein en onrein verklaart, kunt u een gratis exemplaar van het boekje “Clean and Unclean Meats: What Does the Bible Teach?” aanvragen via www.ucg.org (van dit boekje is nog geen Nederlandstalige versie beschikbaar).

Maakten de voedselwetten slechts deel uit van het Oude Verbond?
Een veelgehoorde, onjuiste aanname is dat de door God gegeven voedselwetten slechts bestemd zouden zijn voor het oude Israël, dat ze slechts deel uitmaakten van het Oude Verbond en dat ze afgeschaft zouden zijn onder het Nieuwe Verbond.Dat deze aanname onjuist is blijkt alleen al uit het feit dat men al geboden aantreft in de Bijbel, waarbij het onderscheid tussen rein en onrein vlees wordt gemaakt, die bijna 1000 jaar eerder zijn gegeven dan Gods verbond met Israël, aangezien God Noach in Genesis 7:2 gebiedt om in de ark 7 paar reine dieren en slechts 1 paar onreine dieren mee te nemen. Toen God aan Noach deze instructie gaf hoefde Noach niet aan God te vragen welke dieren rein en welke dieren onrein zijn, omdat hij dat al wist.

De voedselwetten in de tijd van de vroege Kerk
Nergens in de hele Bijbel, van kaft tot kaft, van Genesis tot Openbaring, is er ook maar één voorbeeld te vinden van een dienstknecht van God of volgeling van Jezus Christus, die het vlees van een onrein dier eet. Als op enig moment het onderscheid tussen rein en onrein vlees werkelijk had opgehouden te bestaan, had dat dan niet duidelijk gemaakt moeten zijn in de Bijbel door een dergelijk voorbeeld van Gods dienstknechten? In tegendeel zelfs, we vinden in de tijd van de vroege Kerk slechts voorbeelden van Christus? volgelingen, die angstvallig het eten van dierlijk vlees, waarvan God onthuld had dat het onrein is, vermijden (Handelingen 10:14, 11:8). Hetzelfde onderscheid komt naar voren in eindtijdprofetieën (Jesaja 66:17: “Zij, die zich heiligen en reinigen in de tuinen, achter één in hun midden, die varkensvlees eten, afschuwelijk gedierte en muizen, tezamen zullen zij weggevaagd worden, spreekt de HEERE,” zie ook verzen 15-16 en Openbaring 18:2).

Schafte Jezus Christus de voedselwetten af?
Veelal wordt aangenomen dat de uitspraken van Jezus in Markus 7:15 (“Er is niets dat van buitenaf de mens binnengaat, dat hem kan verontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens verontreinigen.”) en :18-20 (“Ziet u niet in dat alles wat van buitenaf de mens binnengaat, hem niet kan verontreinigen? Want het komt niet in zijn hart maar in zijn buik en gaat in de afzondering naar buiten. Zo wordt al het voedsel gereinigd. En Hij zei: Wat de mens uitkomt, dat verontreinigt de mens.”) betekenen dat Hij de voedselwetten, zoals opgenomen in het Oude Testament, afschafte. Hoe moeten we Christus? woorden echter werkelijk opvatten? Schafte Hij werkelijk in Markus 7:1-23 de wetten, die onderscheid maken tussen rein en onrein vlees, zoals onthuld in Leviticus 11 en Deuteronomium 14, af?

Veel moderne vertalingen van het Nieuwe Testament voegen zelfs een aantal woorden toe aan de tekst van Markus 7:19, om dit denkbeeld weer te geven. De Het Boekvertaling beëindigt dit vers bijvoorbeeld met de woorden: “Jezus maakte hiermee duidelijk dat men alle voedsel zonder gewetensbezwaar mag eten.” In de Leidse Vertaling wordt toegevoegd: “Zo noemde hij alle spijzen rein.” Maar is deze tekstuele variatie wel correct? Dekt het wel de ware betekenis van deze passage? Wat bedoelde Jezus nu werkelijk met zijn opmerkingen? Een van de fundamentele principes om een Bijbelpassage te kunnen begrijpen is door de context te bestuderen.

Wat is het onderwerp van de discussie hier? We dienen als eerste op te merken dat het onderwerp voedsel in het algemeen is, en niet welke vlees- en vissoorten rein of onrein zijn. Het Griekse woord broma, dat gebruikt wordt in vers 19, betekent eenvoudigweg voedsel. Een geheel ander Grieks woord, kreas, wordt in het Nieuwe Testament gebruikt waar vlees – dierlijk vlees – specifiek wordt bedoeld (zie o.a. Romeinen 14:21). Deze passage gaat dus over voedsel in het algemeen in plaats van over vlees. Maar een nader onderzoek levert op dat het over nog meer gaat. De eerste twee verzen helpen ons om de context te begrijpen: “En bij Hem verzamelden zich de Farizeeën en sommigen van de schriftgeleerden, die uit Jeruzalem gekomen waren. En toen zij zagen dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen” (Markus 7:1-2).

Zij vroegen Jezus: “Waarom wandelen Uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten zij het brood met ongewassen handen?” (vers 5). Nu zien we het onderwerp dus verder verklaard. Het gaat om het eten met ongewassen handen. Waarom was dit zo belangrijk voor de schriftgeleerden en de Farizeeën? Het Verbond dat God sloot met Israël bij de Berg Sinaď was gebaseerd op vele wetten en andere instructies die een rituele reinheid bewaakten. De Joodse manier van het onderhouden van geboden ging vaak echter verder door het omarmen van de “gesproken wet” of “de traditie van de oudsten” – wetten die door werden gegeven in geschrift of mondeling en die bestonden uit vele door mensen gemaakte voorschriften en verboden, die aan Gods wetten werden toegevoegd. De verzen 3 en 4 van Markus 7 geven een korte uitleg van het specifieke gebruik waarnaar de Farizeeën en schriftgeleerden refereerden in dit verslag: “Want de Farizeeën en alle Joden eten niet, als zij niet eerst grondig de handen gewassen hebben, omdat zij zich houden aan de overlevering van de ouden” (vers 3). Merk op dat de voedselwetten hier niet ter discussie stonden. Het onderwerp is rituele reinheid, gebaseerd op de religieuze tradities van de gesproken wet. De discipelen werden bekritiseerd omdat ze niet de juiste procedure volgden van het ceremoniële wassen van de handen, zoals voorgeschreven door deze hooggeachte religieuze tradities.
Tegen de tijd dat Christus op aarde leefde hebben velen deze toegevoegde gebruiken tot een topprioriteit verheven en zo doende hebben zij soms de fundamentele principes van Gods wet over het hoofd gezien en zelfs overtreden (Matteus 23:1-4).


Geestelijk principe van reiniging
Na het blootleggen van de hypocrisie van deze en andere religieuze tradities en gebruiken van die tijd komt Jezus tot de kern van de zaak. Hij legt uit dat hetgeen een mens verontreinigt (in de ogen van God) niet van buiten komt – door hetgeen hij in zijn mond neemt – maar van binnen (vers 15).
Hij zei dat het veel belangrijker is om zich te concentreren op hetgeen uit het hart komt dan wat je in je mond neemt. Jezus legt uit: “Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen voort kwade overwegingen, alle overspel, ontucht, moord, diefstal, hebzucht, allerlei kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, lastering, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit en verontreinigen de mens” (verzen 21-23).
Een aantal van deze kwaliteiten staat opgesomd in Galaten 5:19-21 als „werken van het vlees.? Ze worden gesteld tegenover de „vrucht van de Geest? (verzen 22-23). De ceremoniële reinheidswetten en reinigingsgebruiken van het Oude Verbond waren fysieke voorafschaduwingen van de geestelijke reiniging die door het Nieuwe Verbond aangeboden werd (Hebreeën 9:11-14). De apostel Paulus schrijft ons eveneens dat Jezus Zichzelf voor ons heeft gegeven, “opdat Hij ons zou vrijkopen van alle wetteloosheid en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken” (Titus 2:14).


Het visioen van Petrus
Kunnen we ander Bijbels bewijs vinden dat deze uitleg, dat Jezus nimmer de Bijbelse voedselwetten heeft gewijzigd, correct is? We vinden een veelzeggende gebeurtenis in het leven van Petrus, geruime tijd na Jezus? dood en opstanding.
Jaren na Christus? dood en opstanding, toen hij een droom had over onreine dieren, waarbij een stem tot hem zei “Sta op, Petrus, slacht en eet!” spontaan uitriep: “Beslist niet, Heere, want ik heb nooit iets gegeten wat onheilig of onrein is” (Handelingen 10:13-14).
Vreemd genoeg geloven velen dat het doel van dit visioen zou zijn geweest om de voedselwetten en –beperkingen met betrekking tot rein en onrein vlees af te schaffen. Het belang van de eerste reactie van Petrus in deze wordt over het hoofd gezien. Hij beschouwde deze wetten niet als door Christus Zelf afgedaan!
Dit vreemde visioen kwam driemaal tot Petrus en toch twijfelde hij “wat het visioen dat hij gezien had, kon betekenen”(verzen 16-17) en hij dacht “nog over dat visioen na” (vers 19). Petrus trok dus geen overhaaste conclusies, zoals teveel mensen tegenwoordig helaas doen. Hij wist al wat het visioen niet betekende. Later onthulde God hem de ware betekenis: “maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen” (vers 28).
Petrus realiseerde zich dat het belang van het visioen was dat God de deur opende van behoud voor de heidenen (niet-Joden), zodat Petrus kort daarna de eerste niet-besneden heidenen doopte, die God geroepen had (verzen 34-35, 45-48).


Wat betekent de opmerking van Paulus in Romeinen 14:14?
Paulus merkt op in Romeinen 14:14: “Ik weet en ben ervan overtuigd in de Heere Jezus dat niets in zichzelf onrein is. Alleen voor hem die van mening is dat iets onrein is, voor die is het onrein”. Betekent dit dan wellicht dat er geen onderscheid meer was tussen rein en onrein vlees in de vroege Kerk?
Het is belangrijk om te realiseren dat er twee begrippen „onrein? zijn waarnaar in het Nieuwe Testament wordt gerefereerd, met verschillende Griekse woorden die deze begrippen beschrijven. “Onrein” kan verwijzen naar dieren, die niet bestemd zijn om als voedsel voor mensen te dienen (Leviticus 11 en Deuteronomium 14). “Onrein” kan ook refereren naar ceremoniële of rituele onreinheid.
In Romeinen 14 gebruikt Paulus het woord koinos, hetgeen betekent “gewoon” of “gemeenschappelijk”. In aanvulling op deze betekenissen (Handelingen 2:44, 4:32, Titus 1:4, Judas 3), wordt het ook toegepast om dingen die geacht worden vervuild of verontreinigd te zijn aan te duiden. Dit woord is hetzelfde woord als gebruikt in Markus 7:2, zoals hierboven al besproken. Het gaat hier dus om vervuild of verontreinigd zijn als gevolg van rituele onreinheid of het zich niet gewassen hebben.
Met een concordantie kunt u eenvoudig nagaan dat het woord koinos en de afleidingen daarvan, zoals gebruikt in Romeinen 14:14 in het Nieuwe Testament gebruikt worden om te refereren naar ceremoniële onreinheid en niet naar onreine dieren of onreine vleessoorten, zoals beschreven in het Oude Testament.Een compleet ander woord is akathartos, dat in het Nieuwe Testament daarentegen gebruikt wordt om te verwijzen naar onrein vlees, zoals beschreven in Leviticus 11 en Deuteronomium 14. In het visioen van Petrus, zoals hierboven al beschreven, maakt Petrus daarbij ook duidelijk onderscheid tussen koinos en akathartos. De context van Romeinen 14 laat zien dat het gaat om de vraag of iets, dat gebruikt is voor heidense offerpraktijken nog geschikt is om te dienen voor menselijke consumptie. Paulus toont aan dat dit vlees, indien en voor zover het rein vlees betreft natuurlijk, geschikt is voor menselijke consumptie, maar dat ieder voor zich moet uitmaken of hij dit nog wel wenst te eten. In het boekje “Clean and Unclean Meats: What Does the Bible Teach?” wordt hier nader op ingegaan.

Geestelijk principe van de door God gegeven voedselwetten: levensheiliging
Veel mensen menen dat de door God gegeven voedselwetten door Hem alleen zijn gegeven als een speciaal dieet voor Zijn volk Israël, maar klopt dit wel? Een grondige studie van de Bijbel helpt ons andere kanten en dimensies te begrijpen van het belang van het onderscheid tussen rein en onrein vlees. Gods Woord beschrijft het vlees van onreine dieren als “iets afschuwelijks” (Leviticus 11:10-13, 20, 23, 41-42) en “een gruwel”. In dat licht worden we gewaarschuwd om niets dergelijks te eten: “U mag niets eten wat een gruwel is” (Deuteronomium 14:3).

God heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis gemaakt (Genesis 1:26-27) en Hij verwacht van ons dat wij een heilige levenswandel hebben. Leviticus 20:7 “Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben de HEERE, uw God!” Leviticus 11:43-44: “U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt, want Ik ben de HEERE, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig” (zie ook Deuteronomium 14:21; nadruk onzerzijds). Een van de doelen die God had met het vermijden van onrein vlees is heiligheid.

Dit principe van heiligheid en de opdracht heilig te zijn is niet alleen bedoeld voor het fysieke volk Israël! Wij zijn het geestelijke volk van God, zoals duidelijk blijkt uit onder andere Romeinen 11: 17-18, maar wellicht nog duidelijker uit Galaten 3: 26-29: “Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed. Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek (…) want allen bent u één in Christus Jezus. En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.” God wil dat wij heilig zijn. Aangezien wij Hem toebehoren en Hij ons gekocht heeft met het kostbare bloed van Christus, wil Hij niet dat wij ons verontreinigen door welke vorm van fysieke of geestelijke verontreiniging dan ook (I Korinthiërs 6:15-20). Voor God is het zich onthouden van het eten van het vlees van onreine dieren een identificerend teken van de heiligheid van degenen die God apart heeft gezet middels een relatie met Hem. Wij zijn voor God priesters en in die hoedanigheid dienen wij heilig te zijn: “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte” (1 Petrus 2:9). “En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen” (Openbaring 1:6; zie ook 20:6).

Priesters dienen heilig te zijn en het volk het onderscheid tussen heilig en onheilig en tussen rein en onrein te leren (Ezechiël 44:23-24, zie ook het supplement van oktober/november 2008, te vinden op www.ucg-holland.nl). In het Oude Testament treft u onder andere uitgebreide richtlijnen voor priesters aan met betrekking tot levensheiliging, welke een duidelijk geestelijk principe in zich hebben. Alle richtlijnen met betrekking tot levensheiliging wijzen vooruit naar het offer van Jezus Christus. Hij is onze Hogepriester en wij zullen priesters van God zijn (Openbaring 20:6). Overigens staat God ook nergens in de Bijbel het offeren van het vlees van een onrein dier aan Hem toe (zie Genesis 8:20). Een dergelijk offer zou eenvoudigweg ondenkbaar zijn voor een dienstknecht van God en een belediging tegen de Schepper Zelf.


In conclusie
We kunnen dus concluderen dat de voedselwetten nog steeds van kracht zijn; ze zijn NIET afgeschaft en gelden niet alleen voor de fysieke afstammelingen van het volk Israël, maar ook voor ons, christenen, het geestelijke volk Israël. God wil dat wij heilig zijn, omdat HIJ heilig is. Laten we dit aspect van het christelijke leven niet terzijde schuiven, maar toepassen in ons leven.

© United Church of God Holland: Adres: Postbus 93, 2800 AB Gouda. Tel: 06-15887801 / Fax: 084-8704080. Email: info@ucg-holland.nl Web: www.ucg-holland.nl. Financieel steunen? Via Bankrekening: 53.83.60.747 of Girorekening: 3561825 t.n.v. UCG Holland te Gouda